Dierexperimenteel onderzoek:

jaarverslag 2015

Sluiten

logo-summary-@2x

Dierexperimenteel onderzoek: jaarverslag 2015

Bij de RUG en het UMCG vindt dierexperimenteel onderzoek plaats. In 2015 zijn er 26.086 dierproeven verricht, waarvan 47% bij FWN, 53% bij het UMCG. Muizen werden hiervoor het meest gebruikt (13.035), gevolgd door ratten (4.280) en vogels anders dan kippen en kwartels (6.671).

De RUG en het UMCG streven naar (fundamenteel)onderzoek en onderwijs dat tot de wereldtop behoort. Gezond ouder worden (Healthy Ageing) en een duurzame samenleving (Sustainable Society) zijn kernthema’s in het beleid van de RUG en het UMCG: een gezonde samenleving met een bevolking die tot op hoge leeftijd actief participeert. Veel onderzoeksprogramma’s richten zich dan ook op onderwerpen als de ziekte van Alzheimer, diabetes en Parkinson. Voor dit onderzoek zijn dierproeven soms noodzakelijk. Maar ook om ecologische vraagstukken zoals het trekgedrag van vogels te ontrafelen, zijn dierexperimenten nodig.

De organisatie van de RUG en het UMCG is zo ingericht, dat het dierenwelzijn optimaal gewaarborgd is. De RUG heeft een onpartijdige dierexperimentencommissie die de landelijke Centrale Commissie Dierproeven (CCD) adviseert over projectaanvragen van de RUG én het UMCG (de DEC-RUG). Zij toetst onderzoeksaanvragen aan de bestaande wet- en regelgeving. Ook weegt ze het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden. Vervolgens ondersteunt de IvD onderzoekers bij het zo goed mogelijk plannen en uitvoeren van het dierexperiment. De proefdierdeskundigen zien toe op het welzijn van de dieren, controleren of de medewerkers werken volgens de geldende wet- en regelgeving en geven onderwijs en trainingen.

Bij onderzoek en onderwijs met proefdieren aan de RUG en het UMCG staan de 3V’s centraal: vervanging en vermindering van proefdieren en verfijning van de dierproeven. Concreet betekent dit dat we zo min mogelijk proefdieren gebruiken en ervoor zorgen dat de proefdieren die we wel gebruiken zo min mogelijk ongerief ervaren. De RUG en het UMCG zien het grote aantal surplusdieren als een probleem. We zetten daarom in op het cryopreserveren van foklijnen en gebruiken voor onderwijs en training waar mogelijk surplusdieren.

Download jaarverslag 2015Sluit de samenvatting

De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voeren dierproeven uit voor onderzoek en onderwijs, omdat sommige belangrijke en relevante vragen niet te beantwoorden zijn zonder proefdieren.

We zijn daar open over en laten op deze website graag zien hoe we dierstudies doen en welke afwegingen we daarbij maken. Hiermee dragen we bij aan een maatschappelijke discussie over dierproeven waarin iedereen een weloverwogen mening kan vormen.

Proefdierwetgeving: een herziening van de wet

Bescherming van het welzijn van proefdieren is in Nederland goed geregeld. In 1977 trad de Wet op de dierproeven, de Wod, in werking. De wet stelt strenge eisen aan het uitvoeren van dierproeven met als basis het ‘Nee, tenzij’-principe: dierproeven zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Sinds de invoering van de Wod is het aantal proefdieren sterk verminderd. Op 18 december 2014 is  de oorspronkelijke Wod volledig herzien. Dit brengt veranderingen met zich mee voor de organisatie van en controle op dierexperimenten. Wat blijft is de terughoudendheid waarmee dierproeven worden ingezet.

Waarom een herziene Wod?

Binnen de Europese Unie bestonden grote verschillen in dierproefwetgeving. Niet alle lidstaten hanteerden dezelfde, hoge, standaarden, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Om de verschillen te beperken heeft de Europese commissie een richtlijn opgesteld. Elke lidstaat moet de richtlijn inpassen in haar dierproefwetgeving. Nederland heeft daarom de bestaande Wod aangepast.

Wat verandert er in de praktijk?

De wetsherziening breng organisatorische veranderingen met zich mee. ‘In de nieuwe situatie is er een sterkere scheiding tussen uitvoering en toetsing’, vertelt hoofd CDP Flip Klatter . Onder de oude wetgeving beoordeelde een DEC binnen de organisatie proefdiervergunningen. Nu mag alleen een landelijke commissie, de CCD, dat doen. De lokale DEC brengt nog wel advies uit. Zowel de DEC als de CCD beoordelen aanvragen op ethische aspecten.  Om een goede uitvoering van de experimenten te waarborgen, krijgt elke instelling verplicht een Instantie voor Dierenwelzijn, . In de IvD zitten deskundigen die er samen met de onderzoeker voor zorgen dat de dierproefzo goed mogelijk wordt uitgevoerd. Naast deze organisatorische wijzigingen is ook de definitie van een dierproef is aangepast.

2015: een overgangsjaar

‘Hoewel de herziene Wod pas eind 2014 van kracht werd, draaiden de RUG en het UMCG al grotendeels volgens de nieuwe wetgeving’, vertelt proefdierdeskundige Catriene Thuring. Zo zijn de IvD’s vooruitlopend op de wetgeving al in 2013 opgezet. Desalniettemin is 2015 een overgangsjaar, zegt Flip Klatter:  ‘De manier van vergunningsaanvraag en toetsing verandert; iedereen moet wennen aan deze nieuwe structuren. In 2016 merken we hoe dat in de praktijk gaat uitpakken. Uiteindelijk denk ik dat de procedures beter en mogelijk ook sneller gaan  dan onder de oude wetgeving.’

Dierproeven in getallen

In 2015 zijn er bij de RUG en het UMCG 20.932 dierproeven verricht, een reducering van 5.154 proeven ten opzichte van 2014. Het aantal dierproeven fluctueert jaarlijks door beschikbare budgetten en onderzoekscapaciteit. Muizen, ratten en  vogels werden het meest gebruikt. In deze cijfers is een dierproef het geheel van handelingen met één proefdier. Een dierproef komt pas in dit overzicht zodra de proef is afgerond.

Veeg hieronder zijwaarts om meer te zien
  • 11644
  • 3932
  • 122
  • 157
  • 498
  • 00
  • 00
  • 00
  • 00
  • 00
  • 00
  • 00
  • 104
  • 00
  • 4377
  • 00
  • 98
  • 00
Totaal:
  • 13035
  • 4280
  • 84
  • 209
  • 907
  • 3
  • 00
  • 10
  • 00
  • 00
  • 2
  • 00
  • 18
  • 00
  • 6671
  • 00
  • 865
  • 2
Totaal:
  • 11894
  • 5264
  • 42
  • 119
  • 49
  • 8
  • 00
  • 00
  • 00
  • 00
  • 3
  • 00
  • 84
  • 00
  • 5387
  • 00
  • 951
  • 00
Totaal:
  • 13211
  • 8475
  • 70
  • 204
  • 223
  • 7
  • 00
  • 00
  • 00
  • 16
  • 2
  • 00
  • 190
  • 00
  • 6401
  • 00
  • 1733
  • 00
Totaal:
mouse-now

Waarom dierproeven?

Gezond ouder worden (Healthy Ageing) en een duurzame samenleving (Sustainable Society) zijn kernthema’s in het beleid van het UMCG en de RUG. Veel onderzoeksprogramma’s richten zich dan ook op onderwerpen als gezonde veroudering, de ziekte van Alzheimer, diabetes en Parkinson, waarbij dierproeven soms noodzakelijk zijn. Maar ook om ecologische vraagstukken te ontrafelen, zoals het trekgedrag van vogels, zijn experimenten met dieren nodig.

De RUG en het UMCG streven naar (fundamenteel) onderzoek en onderwijs dat tot de wereldtop behoort. Het dierexperimenteel onderzoek dat daar voor nodig is, willen we zo goed mogelijk uitvoeren: dat betekent een optimale verzorging en borging van het welzijn van de proefdieren én het optimaal faciliteren van de proefdieronderzoekers.

Ons dierexperimenteel onderzoek vindt plaats in het UMCG (53%) en bij de Faculteit Wiskunde- en Natuurwetenschappen van de RUG (FWN, 47%). Binnen deze organisaties is een aantal onderzoeksinstituten waar het dierexperimenteel onderzoek voornamelijk plaatsvindt:

 

  • Behavioural and Cognitive Neurosciences (CBN/BCN-BRAIN)

Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek naar de werking van het (gezonde) brein, afwijkingen in het zenuwstelsel bij neurologische en geestelijke aandoeningen, en de mechanismen die ten grondslag liggen aan gedrag.

  • Centre for Ecological and Evolutionary Studies (CEES)

Fundamenteel onderzoek naar onder andere diergedrag en ecofysiologie.

  • Groningen Research Institute of Pharmacy (GRIP)

Fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek naar geneesmiddelen.

  • Groningen University Institute for Drug Exploration (GUIDE)

Lead-ontwikkeling en het ontwikkeling van geneesmiddelen.

  • Health Research and Epidemiology (SHARE)

Opheldering van factoren die ervoor zorgen dat mensen op een gezonde manier oud worden (healthy aging) aan de hand van fundamenteel en praktijkgericht onderzoek.

  • European Research Insitute for the biology of ageing (ERIBA)

Fundamenteel onderzoek naar de factoren die veroudering veroorzaken.

  • Biomaterials (W.J.Kolff Institute)

Toepassings- en praktijkgericht onderzoek naar biomaterialen en implantaten.

  • Fundamental, Clinical and Translational Cancer Research (Cancer Research Center Groningen)

Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek naar oncologie en tumorontwikkeling.

De onderzoeksvoorbeelden  in dit jaarverslag illustreren het onderzoek aan de RUG en het UMCG. Op de website van de RUG is een overzicht beschikbaar van de afdelingen die dierexperimenteel onderzoek uitvoeren .

De RUG en het UMCG zijn in dialoog met de verschillende stakeholders op het gebied van dierproeven. Zo nemen de RUG en het UMCG deel aan de werkgroep Transparantie & Verantwoording  met stichting Proefdiervrij, de WUR, UMC St Radboud, de UU en het UMCU om tot een gezamenlijke, transparante aanpak van de publieksjaarverslagen te komen. Maar ook zijn de proefdierdeskundigen en het hoofd van de CDP actief in gesprek met het ministerie van Economische Zaken, waaronder de portefeuille dierproeven valt, over de invoering van de nieuwe Wod.

    Aan het woord: prof. dr. Rob Coppes, hoogleraar radiotherapie

    Groeit speekselkliertjes uit stamcellen

    ‘Na een bestralingsbehandeling krijgen veel patiënten last van hun speekselklieren, ze krijgen een droge mond. Dat klinkt als een onschuldig neveneffect, maar is het niet. Er treedt makkelijk tandbederf op, patiënten hebben moeite met spreken en slikken en ook hun smaakbeleving valt weg. Ik onderzoek hoe weefsels reageren op straling en hoe stralingsschade te beperken is. Ook laten we in ons lab speekselklieren uit stamcellen groeien.’

     ‘Speekselklieren zijn gevoelig voor straling. Bij veel patiënten die een bestralingsbehandeling in het hoofd- en nekgebied hebben ondergaan, zijn de speekselklieren dan ook beschadigd. Ze krijgen last van een droge mond; een neveneffect met grote impact op de kwaliteit van leven. Speeksel heeft een belangrijke beschermende functie. Zonder speeksel ontstaan er makkelijk infecties in de mond, treedt tandbederf op en gaat spreken en slikken moeilijk. Eten mengt ook niet meer goed en de smaakbeleving valt weg. Patiënten vermijden daardoor dergelijke sociale situaties.

    Ook andere weefsels zijn extreem gevoelig voor straling, het longweefsel bijvoorbeeld is een heel dun vliesje van maar een cellaag. Een kleine dosis straling vernietigt het weefsel al, waardoor longontsteking en littekenweefsel ontstaan terwijl een tumor blijft leven. Om schade te beperken en behandelingen te verbeteren, moet je onderzoeken hoe weefsels op straling reageren. Door dit onderzoek en betere stralingstechnieken is de afgelopen decennia al veel winst behaald. Zo vindt bestraling rond het hoofd tegenwoordig van alle kanten plaats, waardoor de speekselklieren een lagere dosis krijgen en vaker blijven functioneren. Maar nog steeds houdt veertig procent van de patiënten klachten.

    Een veelbelovende techniek waar ik veel onderzoek naar doe, is stamceltherapie. Het idee is om van stamcellen, die nog tot elke celtype van een weefsel kunnen uitgroeien, orgaantjes te kweken zogenaamde organoïden. In het ideale geval staat de patiënt voorafgaand aan de bestraling stamcellen uit de speekselklier af, en worden deze in vitro als organoïden vermenigvuldigd. Na bestraling krijgt de patiënt de nieuwe stamcellen van eigen weefsel terug.

    Maar stamcellen zover krijgen dat ze het gewenste weefsel vormen, is nog niet zo eenvoudig. Hoe ze precies groeien hangt af van de omgeving, stoffen in de voeding en nog veel meer factoren. We zijn druk bezig deze techniek verder te ontwikkelen. In ons lab groeien we nu uit een stamcel kliertjes van ongeveer een millimeter.

    Om te testen of we de gekweekte stamcellen ook functioneel zijn na transplantatie, gebruiken we muizen. Eerst hebben we de transplantatie van muis tot muis uitgetest, nu van mens tot muis; met andere woorden menselijke speekselkliercellen ingebracht in een muis. De volgende stap is om speekselklierstamcellen bij mensen in te spuiten.

    De muis is voor dit type onderzoek een goed model omdat effecten van bestraling, DNA-schade, in vrijwel alle organismen op ongeveer dezelfde manier plaatsvinden. Daarbij komt dat het delen van kennis eenvoudiger is, aangezien het muismodel het meest gebruikt wordt. Het in het laboratorium kweken van stamcellen en organoiden levert op termijn waarschijnlijk een vermindering van het aantal proefdieren op. Met alle kennis die we nu opdoen over organoïden, is het in de toekomst namelijk mogelijk veel meer onderzoek te doen aan uit stamcellen geweekte orgaantjes. Daar zijn veel minder nieuwe proefdieren voor nodig.’

    Aan het woord: dr. Floris Foijer, groepsleider Genomische instabiliteit

    Onderzoekt genetische instabiliteit in kankercellen

    Veel kankercellen hebben meer of minder chromosomen dan normale cellen. Een afwijkend chromosoomaantal leidt in gezonde cellen tot groeivertraging of celdood. In kankercellen gebeurt echter precies het omgekeerde: de tumorgroei versnelt. Ik onderzoek wat er op dat moment precies misgaat en probeer genen die hierbij betrokken zijn te  identificeren. Deze fundamentele kennis over tumorgroei is uiteindelijk nodig om nieuwe medicijnen te ontdekken, maar ook om bestaande therapieën te verbeteren en te verfijnen.

    ‘In elke cel van ons lichaam zit DNA, keurig opgerold in chromosomen. Gewoonlijk bevat een cel zesenveertig chromosomen, in paartjes gerangschikt. Maar soms gaat er tijdens de celdeling iets mis, waardoor er cellen ontstaan met teveel of te weinig chromosomen. We spreken dan van aneuploïdie. Naar deze afwijkende hoeveelheid DNA in cellen doe ik met mijn groep onderzoek. Het begrijpen van aneuploïdie is relevant, omdat het een belangrijke rol speelt bij veel kankers.

    Tweederde van de kankers zijn namelijk aneuploïd. Opvallend, want voor normale cellen pakt aneuploïdie slecht uit, ze groeien niet of minder goed. Blijkbaar weten kankercellen, die juist ongeremd groeien, de nadelen om te zetten in groeivoordelen. Om erachter te komen hoe kankercellen dat doen en welke rol het chromosoomaantal precies speelt, doen we aneuploïdie na in muizen. Door willekeurig genen aan of uit te zetten zoeken we naar genen die samen met aneuploïdie tot kankercellen leiden.

    Uit deze zoektocht komen allerlei genen die nodig zijn om zo’n aneuploïde cel tot kankercel te maken. Sommigen daarvan kenden we al als belangrijke factoren in tumorgroei, maar we ontdekken ook nieuwe genen. Tussen deze genen zitten mogelijk heel geschikte en specifieke aangrijpingspunten voor therapieën tegen kanker: aneuploïdie komt immers vooral in tumoren voor. Huidige medicijnen richten zich vaak niet alleen op kankercellen maar ook op gezonde cellen, waardoor patiënten ernstige bijwerkingen krijgen.

    Een andere opvallende ontdekking hebben we gedaan na het implanteren van menselijk tumorweefsel in muizen. De chromosoomsamenstelling van de tumoren bleek continue te veranderen onder invloed van de omgeving. Tumoren zijn dus heel flexibel, terwijl men dacht dat tumorcellen na hun transformatie tot kankercellen niet veel meer veranderden. Zulke ontdekkingen in het lab dragen direct bij om bestaande therapieën in de kliniek te verbeteren en te verfijnen. Het betekent namelijk dat zulke herschikkingen van genetisch materiaal ook onder druk van behandeling in de patiënt kunnen optreden. De tumor kan dus tijdens de behandeling genetisch veranderen. Daar moet een arts in therapie rekening mee houden.

    Op dit moment schrijf ik aan een nieuwe, grote onderzoeksaanvraag met muismodellen. Ik wil erachter komen hoe aneuploïdie precies ontstaat. Er gaat iets mis in de celdeling, maar wat precies is onduidelijk. We willen dit proces nauwkeurig gaan nabootsen in muizen. Zo’n projectaanvraag bestrijkt nu, met de herziene Wod, een lange periode van een aantal jaren. Dat is lastig, het is puzzelen en dwingt tot goed nadenken. Wat me aanspreekt in de nieuwe situatie, is dat na deze grote aanvraag een praktijkgericht traject start met de IvD. Geen eenrichtingsverkeer, maar een gezamenlijk doel: hoe kunnen we de proef het beste uitvoeren met zo min mogelijk ongerief voor het dier.’

    Aan het woord: prof. dr. Simon Verhulst, hoogleraar gedragsbiologie

    Bestudeert verouderingsmechanismen in kauwen

    Waarom vliegt het ene kauwenjong gezond uit en het andere niet? Welke invloed hebben opgroeiomstandigheden op overleving? En wat zegt dat vervolgens over hun verdere levensverwachting en wat maakt of een dier lang of kort leeft? Daar probeer ik achter te komen door de broedselgrootte van kauwen te manipuleren. Dit onderzoek laat zien hoe veroudering in kauwen werkt, maar is tegelijkertijd een  goed model voor verouderingsmechanismen bij mensen te onderzoeken.

     ‘Al sinds 1996 doen we onderzoek aan de overleving en veroudering van vrijlevende kauwen in de omgeving van Groningen. Kauwen leven in kolonies en broeden in nestkasten, wat onderzoek aan deze dieren vergemakkelijkt. We manipuleren de broedselgrootte om de opgroeiomstandigheden van de jongen beter of slechter te maken. De helft van de broedsels maken we wat groter, en de andere helft wat kleiner. Hierdoor ontstaan twee groepen, die we goed met elkaar kunnen vergelijken.

    Het effect van de broedselgrootte op cellulaire veroudering is groot. Kauwen die veel jongen grootbrengen, verouderen drie keer sneller dan kauwen met kleine broedsels. En ook de  jongen uit de vergrote nesten zijn slechter af dan hun soortgenootjes uit verkleinde nesten. De ontwikkeling van de jongen volgen we door bloedmonsters te nemen. Een relatief kleine ingreep: vogels hebben onder de vleugel ondiep liggende venen. Een speldenprik is genoeg om de benodigde druppels bloed te verzamelen.

    In het bloed meten we de lengte van de telomeren. Telomeren zijn stukjes DNA die je kunt zien als de beschermkapjes van de chromosomen, vergelijkbaar met de eindkapjes van een schoenveter. Bij elke deling verkorten de chromosomen iets, de uiteinden rafelen af, en dit gaat sneller in situaties met stress. De lengte van deze telomeren blijkt een voorspeller van levensverwachting te zijn.

    Wat we hebben gevonden is dat de telomeren van kauwenjongen uit een groot broedsel sneller korter worden vergeleken met soortgenoten in kleine broedsels. Ze verouderen dus sneller en ook hun overlevingskans is kleiner. Maar waardoor verkorten die telomeren nou precies, welke factoren liggen daaraan ten grondslag? Daar zijn we nog niet achter. En wat voor gevolgen heeft die verkorte telomeerlengte vervolgens op lange termijn; is het ook nadelig voor hun jongen? Allemaal vragen waar we de komende jaren antwoord op hopen te vinden.

    Als gedragsbioloog vind ik het interessant om deze vragen te beantwoorden en te begrijpen hoe opgroeien en veroudering bij vogels werkt. Tegelijkertijd is dit onderzoek nuttig voor het onderzoek naar menselijke veroudering: de fundamentele mechanismen zijn veelal gelijk. Ook bij mensen resulteren korte telomeren bijvoorbeeld in lagere levensverwachting. Onderzoek bij mensen is echter altijd beperkt en beschrijvend vanwege de lange levensduur van een mens, en de beperking in de experimenten die mogelijk zijn. Omgerekend gaat de  telomeerverkorting bij jonge kauwen ruim honderd keer sneller dan bij de mens. Hypotheses uit onderzoek naar basale verouderingsmechanismen kun je in kauwen daardoor in relatief korte tijd testen.’

    Aan het woord: prof. dr. Geny Groothuis, hoogleraar Geneesmiddel Metabolisme en Toxicologie

    Zoekt naar proefdiervrije alternatieven voor geneesmiddelenonderzoek

    Geneesmiddelenonderzoek vindt deels plaats in proefdieren. We komen er echter steeds meer achter dat er grote verschillen zijn tussen de manier waarop geneesmiddelen zich gedragen in dieren en in mensen. Mijn onderzoek richt zich op methoden om geneesmiddelenonderzoek proefdiervrij te doen. Dat heeft twee belangrijke voordelen: minder proefdiergebruik en betere voorspellingen over de werkzaamheid en giftigheid van een stof.

    ‘Een belangrijke stap in de ontwikkeling van geneesmiddelen is het toxicologisch onderzoek: is het middel giftig en zijn er bijwerkingen. Een deel van dit onderzoek vindt plaats in proefdieren. Een proefdiermodel is echter verre van ideaal.  Medicijnen gedragen zich in proefdieren vaak anders dan in mensen. Het komt met enige regelmaat  voor dat een fabrikant een middel, dat door alle proeven en tests is gekomen, van de markt haalt vanwege onverwachte bijwerkingen. Andersom komen er ongetwijfeld ook geneesmiddelen niet op de markt omdat  ze niet door proefdierstudies komen, terwijl ze misschien wel werkzaam zijn in de mens. En dat is natuurlijk ontzettend jammer.

    Alternatieve methoden die met menselijke gegevens werken en daarmee een betere voorspellende waarde hebben, zijn dan ook hard nodig. Zo ontwikkelen we in ons lab technieken om medicijnen te testen op hele dunne leverplakjes van menselijke levers. De stukjes lever komen vrij bij operaties; de levercellen houden we vervolgens in leven voor het onderzoek. Dat is hard werken: zulk materiaal komt vaak onverwacht of op ongelegen tijdstippen vrij, waardoor de mensen in mijn lab vaak buiten normale werktijd doorwerken.

    Het materiaal dat we zo verkrijgen geeft een schat aan informatie. De lever is namelijk een belangrijk orgaan voor toxicologisch onderzoek omdat stoffen in de lever vaak worden omgezet. Soms kunnen deze bijproducten schadelijk zijn. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk paracetamol. De lever zet het onschuldige paracetamol om tot een giftig bijproduct dat zelfs dodelijk kan zijn. Ook in de darm en de nier vinden allerlei omzettingen plaats en zijn daarom ook organen waarvan we dunne plakjes proberen te kweken.

    Het mooie is dat we met deze technieken redelijk nauwkeurig en realistisch kunnen voorspellen wat er in het menselijk lichaam gebeurt met medicijnen. Ook de effecten die optreden bij verschillende doses kun je met weefselkweken en computerprogramma’s veel realistischer berekenen dan met behulp van proefdieren. Interessant is ook dat we leverplakjes van meerdere personen gebruiken: de menselijke variatie zit dus ingebakken in onze uitkomsten  terwijl de variatie tussen labratten veel kleiner  is. Tegelijkertijd maakt juist die variatie het lastiger om resultaten overtuigend te publiceren en het draagvlak voor alternatieve methoden te vergroten.

    Sowieso is het veranderen van regels een traag proces. Dierproeven zijn nu nog verplicht wanneer je een medicijn op de markt wil brengen, maar het is een kwestie van tijd voordat alternatieven geaccepteerd zullen worden voor tenminste een deel van de testen.  Of een volledige vervanging van dierproeven door proefdiervrije alternatieven zal  kunnen worden bereikt, is erg onzeker. Het is ook een kwestie van prioriteiten stellen. In de verspreiding en het gebruik van dierproefalternatieven hebben we veel gewonnen de afgelopen twintig jaar. Maar het had veel sneller gekund als er meer geld beschikbaar zou zijn gekomen voor onderzoek naar alternatieven. Een grote omslag naar dierproefalternatieven vergt nog een hoop denkwerk en onderzoek.’

    Wet- en regelgeving

    Proefdieronderzoek is aan strikte wet- en regelgeving gebonden. Sinds 1977 is het welzijn van proefdieren in Nederland beschermd via de Wet op de dierproeven, de Wod . In aanvulling op deze wet is sinds 1985 ook het Dierproevenbesluit van kracht. Uitgangspunt van de wet is het ‘Nee, tenzij’-principe: dierproeven zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Wanneer een onderzoeker het onderzoek bijvoorbeeld ook met een computermodel of slachtmateriaal kan uitvoeren, is het verboden dieren voor het experiment te gebruiken. In 2014 is een herziene Wod in werking getreden.

    Een dierproef is elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als, dan wel het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Proeven met dieren zonder inwendig skelet, zoals wormen, slakken en insecten, vallen niet onder dierproeven. De Wod is bedoeld om de proefdieren in Nederland te beschermen. Er staat bijvoorbeeld in dat alleen gekwalificeerde mensen proefdieren mogen gebruiken en dat alleen mogen doen binnen instellingen die daarvoor een vergunning hebben.

    Codes of Practice

    De wet- en regelgeving stelt kaders, maar geeft geen details. Daarom bestaat soms onduidelijkheid over de exacte interpretatie van de wetgeving. Over een aantal onderwerpen hebben experts daarom gedragscodes, Codes of Practice, opgesteld, namelijk: Dierproeven in kankeronderzoek (1999), Immuniseren van proefdieren (2000) en Welzijnsbewaking van proefdieren (2001). Iedereen die met proefdieren werkt, dient zich te houden aan de richtlijnen in deze codes.

    Daarnaast heeft de Dierexperimentencommissie (DEC) van de RUG ter (interne) standaardisatie drie aanvullende documenten met interne richtlijnen samengesteld. Hierin geeft ze haar standpunten over de ongeriefcodes, de diersoortkeuze en ethische afwegingen.

    Herziene Wod

    Op 18 december 2015 is de Wod aangepast om aan de Europese richtlijn te voldoen. Een belangrijke verandering is dat instellingen kennis over dierenwelzijn bundelen in een ‘instantie voor dierenwelzijn’. De IvD behandelt een onderzoeksproject, na goedkeuring door de DEC en CCD, op dierenwelzijnsaspecten. Verder adviseert zij de onderzoeker over dierenwelzijnskwesties en toepassing van de 3V’s. In de IvD zit een proefdierdeskundige, de locatiebeheerder van de dierfaciliteit, een wetenschapper en wanneer dat nodig is een externe deskundige, zoals een stralingsdeskundige of een biologische veiligheidsfunctionaris. Naast organisatorische veranderingen is ook de definitie van een dierproef aangepast.

    Nieuwe rol DEC

    Met de herziening van de Wod, verandert ook de rol van de DEC. De DEC is niet langer bevoegd om vergunningen voor dierproeven te verlenen of te verlengen. De commissie zal zich toeleggen op toetsing van aanvragen en adviseert vervolgens de CCD. Deze landelijke commissie beoordeelt de aanvraag definitief en verleent, of weigert, de projectvergunning voor het experiment. De CCD publiceert niet-technische samenvattingen van verleende vergunningen op haar website.

    Daarnaast is een landelijk comité, het NCad opgericht. Het brengt verbeteringen tot stand gericht op het Vervangen, Verminderen en Verfijnen (3V’s) van dierproeven en de ethische toetsing daarvan in (toegepast) wetenschappelijk onderzoek en onderwijs om daarmee het proefdiergebruik te minimaliseren, zowel nationaal als internationaal.

      Aan het woord: Proefdierdeskundige dr. Catriene Thuring en hoofden van de dierfaciliteiten Flip Klatter en dr. Martijn Salomons

      De herziene Wod: sterkere scheiding tussen uitvoering en toetsing

      Sinds 18 december 2014 is in Nederland de herziene Wod van kracht. De hoge standaarden die in Nederland gelden voor dierproeven, blijven daarin gehandhaafd. Wel verandert de manier waarop het proefdieronderzoek en de toetsing daarvan is georganiseerd. Met de komst van lokale Instanties voor Dierenwelzijn (IvD’s) en een landelijke Centrale Commissie Dierproeven ontstaat een sterkere scheiding tussen de beoordeling en de uitvoering van dierexperimenten. De RUG en het UMCG draaiden in 2014 al grotendeels volgens de nieuwe wetgeving.

      ‘In Europa bestaan grote verschillen in de manier waarop met proefdieren wordt omgegaan’, vertelt Flip Klatter. ‘Een aantal landen, zoals Nederland, is zeer professioneel, tegenover een aantal landen dat daar lang niet aan kan tippen. Met de in 2010 goedgekeurde Europese richtlijn  moet het proefdierbeleid in alle Europese landen naar hetzelfde, hoge, niveau.’ Nederland voerde de richtlijn op 18 december 2014 in de nationale wetgeving door, resulterend in de herziene Wod.

      Hoewel Nederland met haar oude wetgeving al op het niveau van de nieuwe richtlijn werkte, brengt de herziening toch veranderingen met zich mee. ‘Vooral de manier waarop proefdieronderzoek en de controle daarop is georganiseerd verandert’, zegt Klatter: ‘De scheiding tussen toetsing en uitvoering van dierproeven wordt sterker.’

      Twee belangrijke veranderingen zijn de komst van een Instantie voor Dierenwelzijn, IvD, bij elke instelling waar dierexperimenteel onderzoek plaatsvindt. En een landelijke Centrale Commissie Dierproeven, CCD.

       

      Toetsing en uitvoering

      De CCD verleent vergunningen voor dierproeven. De ethische toets vindt lokaal plaats bij de DEC en landelijk bij de CCD. Klatter: ‘Dat betekent dat er meer aandacht komt voor de ethische toets, bovendien door commissies die zich exclusief met die toetsing bezighouden. Ik denk dat dat goed is. Ethische toetsing is ontzettend moeilijk; er spelen zaken als cultuur, geloof en historie. Dat zijn geen eenvoudige discussies. De toetsing is in deze nieuwe opzet zuiverder. Daarbij kan een landelijke instantie beter over instituutsgrenzen kijken. Ze hebben overzicht waardoor onnodige dubbelingen in dierproeven vermeden worden.’ Tegelijkertijd schuilt hierin ook een gevaar waarschuwt Martijn Salomons: ‘Het reproduceren van experimenten is ook erg belangrijk. Je moet daar een goede balans in vinden.’

      Na vergunningverlening zorgen IvD’s voor optimale voorbereiding en uitvoering van de dierproef. Catriene Thuring: ‘De IvD staat dicht op de werkvloer. Deskundigen overleggen samen met de onderzoeker hoe de dierproef zo goed mogelijk kan worden uitgevoerd. Ook de proefdierdeskundigen zitten in de IvD. Mijn positie in de organisatie is daarmee veranderd. Er is minder afstand waardoor ik direct kennis kan inbrengen over dierenwelzijn.’ Klatter vult aan: ‘De toezichtstaak is meer meedenktaak geworden: bijna alle betrokkenen zitten met elkaar om tafel. Iedereen is uiteindelijk gebaat bij een optimale uitvoering van het experiment.’

      ‘Dat de IvD dicht op de werkvloer staat, betekent ook dat elke IvD er net iets anders uitziet, afhankelijk van de organisatie en het type onderzoek’, zegt Thuring. ‘In Groningen bestaan de twee IvD’s in ieder geval uit een proefdierdeskundige, de locatiebeheerder van de proefdierfaciliteit, een biotechnicus en de onderzoeker zelf.’ De keuze om de onderzoeker een volwaardige positie in de IvD te geven, is een bewuste. Salomons: ‘Je wilt de vragen die in de discussies naar voren komen zo puur mogelijk behandelen, daarvoor heb je ook de onderzoeker nodig. Anders heb je altijd tussenpersonen.’

       

      Overgangsjaar

      ‘De herziening van de wet is een langdurig proces geweest. In Groningen hebben we niet gewacht tot de herziene Wod daadwerkelijk van kracht werd’, vertelt Thuring. ‘In 2014 hebben we al proefgedraaid volgens de nieuwe wetgeving; het was echt een overgangsjaar. In de loop van het jaar begon iedereen te wennen aan de nieuwe structuren.’

      Een structuurwijziging is altijd lastig aldus Klatter: ‘Onze onderzoekers moeten onderzoek doen, daar worden ze op afgerekend. Elke verandering of wijziging in procedures kost tijd en energie, dat leidt af van onderzoek. En er is onzekerheid over de snelheid van de vergunningsprocedure in het nieuwe systeem. In 2015 merken we hoe alles in de praktijk gaat uitpakken. Uiteindelijk denk ik dat de procedures beter en mogelijk ook sneller gaan dan onder de oude wetgeving.’

      Salomons: ‘De vergunningsaanvraag bij de CCD is zo’n onderwerp waar onderzoekers mee worstelen. In een aanvraag moeten voldoende details zitten voor een ethische toetsing, daartegenover staat dat je als onderzoeker de flexibiliteit die nodig is het onderzoek niet teveel wilt beperken door het hele project voor meerdere jaren tot in detail vast te leggen. Er zijn nu nog geen goede voorbeelden van dit soort aanvragen, dat vormt zich de komende tijd.’ Klatter: ‘Het is wennen voor alle betrokkenen: voor de onderzoekers, maar ook voor de IvD’s, DEC en CCD. De komende jaren zal alles moeten uitkristalliseren.’

      Aan het woord: dr. ing. Jocelien D.A. Olivier, universitair docent gedragsfysiologie

      Onderzoekt de effecten van antidepressiva tijdens zwangerschap

      ‘Veel vrouwen die antidepressiva slikken, stoppen daar tijdens of net voor de zwangerschap mee. Van deze vrouwen valt echter een groot deel weer terug in depressie. Heeft het kind dan baat bij het stoppen van de medicatie? Of is het juist beter af wanneer de moeder antidepressiva blijft gebruiken, maar minder depressief is? Daar wil ik in mijn onderzoek achter komen.’

       ‘In Nederland gebruiken ongeveer één miljoen mensen antidepressiva. Veel vrouwen die antidepressiva gebruiken, stoppen daar tijdens of net voor de zwangerschap mee. Liever geen rotzooi in m’n lichaam tijdens zwangerschap is de gedachte. Een kwart van de vrouwen gaat wel de hele zwangerschap door met de medicatie. Van de vrouwen die stoppen valt echter zo’n zeventig procent weer terug in depressie.

      De vraag is dan of het stoppen met het antidepressivum een goede beslissing is. Mensen slikken antidepressiva omdat ze zich er beter door voelen; misschien is het kind wel beter af wanneer de moeder antidepressiva gebruikt en daardoor minder depressief is. We weten namelijk ook dat depressiviteit negatieve gevolgen heeft voor het kind: de kans op autisme, agressief gedrag, depressies en angststoornissen is bijvoorbeeld groter. In het onderzoek dat ik de komende jaren hier in Groningen ga uitvoeren, wil ik deze vraag proberen te beantwoorden.

      Om het effect van antidepressiva op het nageslacht te kunnen onderzoeken, gebruik ik een ratmodel voor depressie. Bij mensen is er verschil in de gevoeligheid voor het ontwikkelen van een depressie. Genen en omgevingsfactoren spelen daarbij een belangrijke rol. Zo kunnen stressvolle gebeurtenissen als een scheiding, baanverlies of een verhuizing bij de één een depressie induceren terwijl de ander daar niet gevoelig voor blijkt te zijn. De ratten die ik in mijn onderzoek gebruik zijn ook gevoeliger voor stressvolle gebeurtenissen en daarmee erg geschikt als model voor depressiviteit.

      Uiteindelijk ben ik vooral geïnteresseerd in de nakomelingen. Zit er verschil tussen de nakomelingen van depressieve ratten die antidepressiva toegediend hebben gekregen en degene die dat niet hebben gehad. Om hier achter te komen onderwerp ik de nakomelingen aan verschillende testen. Bijvoorbeeld de driekamertest om te bepalen hoe sociaal de dieren zijn. Bij deze test zit een rat in een kooi met aan de ene kant een leeg hok en aan de andere kant een kooi met soortgenoot. Een sociaal dier zal eerder naar de soortgenoot bewegen, terwijl minder sociale dieren de kant aangrenzend aan de lege kooi kiezen.

      Naast gedragsonderzoek, wil ik ook hersenen van de dieren analyseren om te onderzoeken of er (epi)genetische veranderingen hebben plaatsgevonden: onderzoek dat zonder proefdieren niet mogelijk is.

      Voordat ik bij de RUG aan de slag ging, heb ik aan hetzelfde onderwerp gewerkt in Nijmegen, Stockholm en Uppsala (Zweden). Met deze universiteiten heb ik nog steeds goed contact; we werken aan hetzelfde onderwerp, maar iedereen onderzoekt binnen zijn eigen niche en wisselt kennis uit. Mijn dierexperimenteel werk hier kan bijvoorbeeld een prima aanvulling zijn op klinische studies die in Uppsala plaatsvinden. Juist die verschillende invalshoeken maken het mogelijk om de ingewikkelde interactie van antidepressiva op zwangerschap te doorgronden.’

      Aan het woord: prof. dr. Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie, winnaar Spinoza premie 2014

      Volgt trekvogels over de hele wereld

      Trekvogels als grutto’s maken elk broedseizoen letterlijk een wereldreis. Sommigen vliegen elfduizend kilometer in tien dagen. Ik  beschrijf hun levensloop door ze met zendertjes te volgen:  waar gaan ze naartoe, wanneer sterven ze en waarom? Interessant vanuit de ecologie, maar trekvogels zijn ook een vergrootglas op onze mensenwereld en verbinden ons. Ze leggen de vinger soms op de zere plek. Hoe onze landbouw boeren in Afrika benadeelt bijvoorbeeld. Of hoe desastreus de inpoldering van de Gele Zee uitpakt.

       ‘Wereldwijd staan trekvogels onder enorme druk. Ik probeer erachter te komen waar het precies misgaat. Hiervoor volg ik met mijn onderzoeksgroep trekvogels in het vrije veld, vooral grutto’s, maar ook kemphanen, lepelaars en kanoeten. In zulk veldonderzoek zit altijd een zekere spanning, want de dieren moeten wel eerst worden gevangen en gemerkt. We verzamelen op dat moment in één keer zoveel mogelijk gegevens van het dier: geslacht, draagt het parasieten bij zich, we nemen wat bloed voor DNA-onderzoek en voorzien sommige vogels van een zendertje. In totaliteit volgen we op dit moment ruim tienduizend individuele dieren.

      Het zenderen van vogels luistert overigens heel nauw. Wil je het gedrag van de dieren niet beïnvloeden, dan moet je van goeden huize komen. We moeten honderden beslissingen nemen, over gewicht, type zender, details van bevestiging – en dan moet alles kloppen.  Het is echt millimeterwerk. Overigens proberen we zoveel mogelijk van dat leerproces bij dieren in gevangenschap te doen.

      In de afgelopen jaren hebben we twee bevestigingsmethoden geraffineerd: op de rug als rugzakje voor kanoeten en heuptasjes voor grutto’s. Aan de precieze bevestiging van elders gemaakte satellietzendertjes als rugzakjes hebben we ruim twee jaar gewerkt. Die zendertjes zijn een wonder: ze wegen maar een paar gram en halen hun energie uit zonnepaneeltjes. De dieren vliegen er nu redelijk probleemloos mee van Australië naar China, zo’n zesduizend kilometer.

      De data die we zo verzamelen zijn wetenschappelijk ontzettend interessant. Zo lieten we eerder bijvoorbeeld zien dat rosse grutto’s elfduizend kilometer zonder pauzes kunnen vliegen. Deze tocht, van Alaska over de Stille Oceaan naar Nieuw-Zeeland maken de dieren in een non-stop vlucht van tien of elf dagen. Zoiets was niet voor mogelijk gehouden, vijfduizend kilometer was voor een trekvogel toch wel de limiet dacht men.

      Maar ook voor natuurbescherming is het volgen van trekvogels belangrijk. De Chinezen en Koreanen polderen op dit moment razendsnel de randen van de Gele Zee in. Het daar aanwezige wad verdwijnt. Natuurlijk verwacht je dat zoiets een negatieve invloed heeft op trekvogels, maar hoe bewijs je dat? Het meeste beschermingsonderzoek gaat uit van een constatering, bijvoorbeeld dat een populatie kleiner wordt. En als je vervolgens gaat meten om de oorzaak te achterhalen ben je al te laat. Door ons werk aan gemerkte en gezenderde dieren kunnen we de boosdoeners als het ware op heterdaad betrappen. Je ziet precies waar en wanneer de populatie in elkaar kukelt. Het aardige is dat overheden weliswaar niet op zulke harde data zitten te wachten, maar ze dan toch wel serieus nemen.

      De effecten van inpolderingen langs de Gele Zee zijn dus duizenden kilometers verderop te zien aan teruglopende vogelstanden. Maar ook onze eigen intensieve landbouw heeft effecten elders in de wereld. De grutto verlaat ons land  steeds eerder om terug te keren naar Senegal en Guinee-Bissau in West-Afrika. Inmiddels is hun aankomst daar met zo’n zes weken vervroegd. Met gevolgen voor de landbouw daar: ze arriveren precies in de periode waarin de Balanta boerinnen hun rijst zaaien.  De grutto’s eten de kiemende rijstzaden en ruïneren zo het pas gezaaide gewas. De boeren zijn gedwongen overgestapt naar een arbeidsintensievere methode waarbij ze plantjes eerst voorkweken. De grutto is daarmee het koppelstuk tussen de landbouw hier en de landbouw daar. Trekvogels laten ons zo naar de wereld kijken op een manier waarin alles met elkaar samenhangt. Een manier van kijken die ons kan helpen erger te voorkomen.’

      Ethische toets

      Het gebruik van proefdieren zorgt voor een ethisch dilemma: weegt het onderzoeks- of onderwijsbelang op tegen het ongerief dat de proefdieren ervaren? Een onpartijdige DEC  toetst onderzoeksvoorstellen aan wet- en regelgeving en weegt het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden. Uitgangspunt is hierbij dat elk dier een intrinsieke waarde heeft. Bij haar oordeel houdt de DEC ook rekening met de psychologische complexiteit van proefdieren, de gevoelswaarde en de status die de maatschappij aan een diersoort toekent.

      De RUG heeft een onpartijdige dierexperimentencommissie die proefdiergebruik beoordeelt voor de RUG én het UMCG (de DEC-RUG). In de DEC-RUG zitten deskundigen op het gebied van (bescherming van) proefdieren, dierproeven, alternatieven voor dierproeven en ethische toetsing.

      De DEC toetst elk onderzoeksvoorstel aan de bestaande wet- en regelgeving. Ook weegt ze het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden. Daarnaast stelt de DEC eisen aan de voorbereiding van het onderzoek en aan de vaardigheid en scholing van de uitvoerders.

      De intrinsieke waarde van elk dier staat centraal bij de afweging of een dierproef ethisch acceptabel is of niet. Dat neemt niet weg dat ook andere overwegingen een rol spelen, zoals psychologische complexiteit van een dier (denk aan apen). Of de maatschappelijke status die aan een diersoort wordt toegekend, gebaseerd op factoren als sociale verbondenheid (hond en kat), historische waarde (landbouwhuisdieren) en maatschappelijke relatie (zeehond).

      Voor proeven met apen zijn bij de RUG en het UMCG geen faciliteiten; over proeven met apen heeft de RUG een apart standpunt opgesteld.

      Dierproeven doelen

      Veruit de meeste dierproeven hebben onderzoekers uitgevoerd om een wetenschappelijke vraag te beantwoorden. De figuur hieronder geeft aan waarover deze vragen gingen. Naast het beantwoorden van wetenschappelijke vragen, zijn ook dierproeven gedaan voor onderwijs en training, bijvoorbeeld om studenten en biotechnici op te leiden.

      Ongerief

      Proefdieren ervaren altijd een bepaalde mate van ongerief . De Nederlandse regelgeving deelt ongerief met ingang van de herziene Wod in vier categorieën in. Ongerief hoeft niet per se pijn te zijn: ook stress en angst vallen hieronder. Hieronder  is weergegeven welke mate van ongerief de dierproeven in 2014 met zich meebrachten. In 18% van de dierproeven werd het proefdier zonder voorafgaande handelingen geëuthanaseerd, deze dieren vallen in de laagste ongeriefklasse.

      4%

      Terminale dierproeven

      69%

      Licht ongerief

      26%

      Matig ongerief

      1%

      Ernstig ongerief

      0%

      Ernstig overstijgend ongerief

      Wilde katten op Schiermonnikoog

      De RUG heeft geruime tijd geen experimenten met katten uitgevoerd,  maar in 2015 zijn tien wilde katten op Schiermonnikoog bestudeerd. Verwilderde katten leveren problemen op voor de lokaal broedende vogelsoorten op Waddeneilanden, omdat grondpredatoren daar van nature ontbreken.

      In de studie op Schiermonnikoog onderzochten wetenschappers het effect van deze katten op de vogelpopulatie door activiteitpatronen van de katten inzichtelijk te maken middels een halsband met GPS-zender. De katten werden daarvoor gevangen met behulp van inloopvallen, korte tijd verdoofd en voorzien van een zender. Na het verzamelen van biometrische gegevens en volledige uitwerking van de verdoving werden de katten vrijgelaten op dezelfde plek als de vangst. De katten zijn opnieuw gevangen om de halsband na afronding van de observatieperiode te verwijderen. Het ongerief voor de tien katten werd beoordeeld als matig.

      Fokefficiëntie

      De RUG en het UMCG fokken zelf dieren, vooral (transgene) muizen en ratten. Niet alle gefokte dieren komen in een experiment terecht: een groot deel wordt voortijdig gedood, bijvoorbeeld omdat ze niet de juiste eigenschappen hebben of alleen voor de fok nodig zijn. In 2015 werden 43.424 dieren gefokt waarvan 25.401, zo’n 80%, niet voor experimentele doeleinden is gebruikt. Deze dieren noemen we ‘surplusdieren’ of ‘fokoverschot’. Zowel landelijk als internationaal erkennen instellingen en overheden dat het grote aantal surplusdieren een probleem is. De RUG en het UMCG lopen voorop in het verhogen van de fokefficiëntie door een juiste communicatie tussen onderzoekers en dierverzorgers (vraag en aanbod) en het terugdringen van het fokoverschot door in te zetten op cryopreservatie.

      Een fokoverschot is helaas onvermijdelijk. Dieren in een proef moeten vaak zoveel mogelijk identiek zijn om betrouwbare onderzoeksresultaten te krijgen. Ze moeten bijvoorbeeld even oud en van hetzelfde geslacht zijn of onder identieke omstandigheden zijn geboren. Ook bezitten niet alle dieren de gewenste genetische eigenschappen. Zo zijn voor een experiment met 60 identieke transgene muizen al snel 170 dieren gefokt: lees meer hierover op de website van de Stichting Informatie Dierproeven . Verder is een aanzienlijk deel van de fok nodig voor het in stand houden van unieke of waardevolle foklijnen.

      Maar grote aantallen dieren fokken zonder ze daadwerkelijk te gebruiken voor onderzoek of onderwijs is niet acceptabel. De doelstelling van de RUG en het UMCG is dan ook om de fokefficiëntie te verhogen. We bekijken het fokbestand steeds kritisch, trachten zo efficiënt mogelijk te fokken en gebruiken voor onderwijs waar mogelijk surplusdieren. Daarnaast zien we cryopreservatie als een belangrijke techniek om het fokoverschot te verminderen.

       

      Cryopreservatie

      Cryopreservatie is een techniek waarbij eicellen of sperma van een foklijn die langere tijd niet nodig is, wordt ingevroren in plaats van de lijn levend in stand te houden. Als de foklijn weer nodig is, wordt een bevruchte eicel ingebracht bij een schijnzwanger vrouwtje. In de tussentijd zijn dus geen dieren nodig voor het behoud van de lijn.

      Het invriezen is echter een ingewikkelde techniek. Lang niet alle ingevroren embryo’s blijven bijvoorbeeld levensvatbaar. De RUG en het UMCG zien cryopreservatie als een belangrijke techniek om het fokoverschot terug te dringen en zijn daarom sinds 2011 bezig deze techniek zelf in huis te halen. Het cryopreservatieteam heeft zich eind 2015 laten scholen in de techniek ‘cryopreservatie van sperma’. Dit is een zeer efficiënte methode om een foklijn in te vriezen, waarbij slechts twee mannelijke muizen nodig zijn. Niet alle foklijnen zijn geschikt om te cryopreserveren op deze wijze, maar desondanks zal dit toch een besparing van dieren opleveren. Gelijktijdig zijn er ook foklijnen door externe bedrijven gecryopreserveerd. In 2015 zijn negentien foklijnen ingevroren.

      Einde van de proef

      Bij het doen van proefdieronderzoek hoort ook het doden van dieren. Een stap die geen van de dierverzorgers en onderzoekers graag uitvoert.

      De meeste dieren worden gedood, omdat het onderzoek is afgerond of omdat het dier boventallig is. De euthanasieprocedure is zo ontwikkeld dat de dieren er zo min mogelijk van merken. De dieren komen in een bak met een mengsel van zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2), waarbij het CO2-gehalte langzaam oploopt. Hierdoor raken de dieren eerst buiten bewustzijn, waarna ze langzaam inslapen.

      In enkele gevallen krijgen dieren complicaties waardoor de dieren meer dan verwacht (dreigen te) lijden. In zulke gevallen passen onderzoekers het zogenaamde ‘humaan eindpunt’ toe. Ze halen het dier uit het experiment op het moment dat het lijden onacceptabel dreigt te worden. Het dier wordt vervolgens geëuthanaseerd om ernstig leed te voorkomen.

      Vervanging, Vermindering en Verfijning

      Bij onderzoek en onderwijs met proefdieren aan de RUG en het UMCG staan de 3V’s centraal: vervanging en vermindering van proefdieren en verfijning van de dierproeven. Concreet betekent dit dat we zo min mogelijk proefdieren gebruiken en waar mogelijk proefdiervrij werken. Het ongerief voor de proefdieren beperken we zo veel als mogelijk. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) helpt de onderzoekers om dit in de praktijk te brengen.

      Vervanging

      Een onderzoeker mag een dierproef alleen uitvoeren als het niet anders kan. Waar mogelijk voeren we onderzoek en onderwijs uit met dierproefalternatieven zoals ongewervelden, cellen, weefsels, computersimulaties, videotraining of slachthuismateriaal.

      Vermindering

      Bij een dierexperiment zetten we in op het verminderen van het aantal benodigde dieren: een opzet met zo min mogelijk proefdieren, die nog wel betrouwbare resultaten oplevert. Bijvoorbeeld door te kiezen voor standaardstammen waardoor de onderzoeksresultaten beter vergelijkbaar zijn of door onderzoekers eerst een pilotonderzoek te laten uitvoeren.

      Soms kunnen proefdieren na het oorspronkelijke experiment opnieuw worden gebruikt, voor een (vervolg)experiment of voor onderwijs. In 2013 ging 3% van de dieren een tweede maal een proef in.

      Verfijning

      De onderzoekers, dierverzorgers, biotechnici en proefdierdeskundigen zijn dagelijks met verfijning bezig. Optimale huisvesting en goede toepassing van experimentele technieken en anesthesie, beperken het ongerief voor de proefdieren. Sociale dieren als ratten zijn bijvoorbeeld gehuisvest in groepen, waardoor ze minder stress ervaren.

      Door dierproeven te verfijnen neemt het welzijn van de dieren toe. Goed voor de dieren en voor de kwaliteit van het onderzoek.

      Organisatie en faciliteiten

      De organisatie van de RUG en het UMCG is zo ingericht, dat het dierenwelzijn optimaal gewaarborgd is. Voordat een onderzoeker daadwerkelijk een dierexperiment mag uitvoeren, moet het onderzoeksvoorstel zijn goedgekeurd door een onpartijdige dierexperimentencommissie.

      De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) helpt de onderzoeker vervolgens bij het zo goed mogelijk voorbereiden van de dierstudies. Zij bespreken met elkaar dierenwelzijnskwesties en de toepassing van de 3V’s. Ook heeft de RUG twee gespecialiseerde dierenartsen (proefdierdeskundigen) in dienst. De proefdierdeskundigen houden toezicht op het welzijn van proefdieren en zijn lid van de IvD.

      Om een optimale verzorging van de dieren te garanderen en effectief onderzoek te kunnen doen, zijn twee moderne proefdierfaciliteiten ingericht: de Centrale Dienst Proefdieren in het UMCG (CDP) en de Facultaire Dienst Dierverzorging in de Linnaeusborg (FDD).

      Huisvesting

      Het proefdieronderzoek aan de RUG en het UMCG vindt plaats in de vrije natuur of in één van de laboratoria met speciale proefdierfaciliteiten. We besteden de grootst mogelijke zorg aan een optimale huisvesting van de proefdieren: dit is immers de ruimte waar de dieren vrijwel hun hele leven verblijven. Huisvesting is dan ook meer dan enkel voldoen aan de wettelijke vereisten. De CDP en de FDD zijn geheel vernieuwd in respectievelijk 2009 en 2011 en behoren tot de modernste van Europa. Temperatuur, licht en luchtvochtigheid in de verblijven zijn nauwkeurig te regelen.

      Stichting Proefdiervrij aan het woord

      Marja Zuidgeest, directeur Proefdiervrij

       

      De RUG en Proefdiervrij voeren al jaren een dialoog over proefdiergebruik en hoe we dat proefdiergebruik kunnen vervangen. Om zo’n dialoog te voeren is openheid nodig, […] want de dialoog moet niet alleen gevoerd worden tussen de RUG en Proefdiervrij, maar zoveel mogelijk mensen moeten zich aangetrokken voelen zich te mengen in de dialoog over dierproeven.

      Een instrument daarvoor is het jaarverslag: jaarlijks leggen instellingen verantwoording af over hun activiteiten. Voor Proefdiervrij zijn openheid en verantwoording belangrijke elementen in de maatschappelijke discussie over dierproeven. Want de dialoog moet niet alleen gevoerd worden tussen de RUG en Proefdiervrij, maar zoveel mogelijk mensen moeten zich aangetrokken voelen zich te mengen in de dialoog over dierproeven.

       

      Een jaarverslag is een redelijk statisch gebeuren. Het gaat over het afgesloten jaar, het is daarmee bijna geschiedschrijving. Veel interessanter is wat er hier en nu gebeurt of zelfs gaat gebeuren. Daar wil je als Proefdiervrij of dierenliefhebber misschien wel meteen meer van weten. Naast het jaarverslag pleit Proefdiervrij er daarom voor een actuele vorm van betrokkenheid creëren. Licht er bijvoorbeeld eens een lopend of startend project uit en leg uit wat daar gebeurt. Is dat eng? Ik denk dat het onwennig is. Als je uitlegt waar je mee bezig bent er waarom kunnen anderen daarop reageren en hun mening geven. En dan zul je het misschien niet altijd met elkaar eens worden, maar dat is niet heel erg. Het belangrijkste is een open discussie of gesprek. Sterker nog, soms is het beter om stevig met elkaar van mening te verschillen, want schuring geeft glans!

       

      Uiteindelijk wil niemand proefdieren gebruiken, daar is iedereen het over eens en dat is wat ons bindt. Alleen hoe we een proefdiervrije wereld gaan realiseren en op welke termijn, daarover blijven we continue in gesprek met de RUG. Die proefdiervrije wereld komt er, dat is mijn droom en overtuiging. En daarvoor hebben we de mensen van de RUG en andere instellingen die proefdieren gebruiken nodig. En zij hebben ons nodig om met vragen en opmerkingen uit onverwachte hoek nieuwe wegen in te slaan die proefdiergebruik overbodig maakt. Daarom is Proefdiervrij fan van openheid, verantwoording en dialoog.’

      Wat vindt u?

      Met dit jaarverslag hebben we u laten zien hoe en waarom wij dierexperimenteel onderzoek uitvoeren. We willen graag weten wat u van deze website vindt. Wat is er goed, wat kan beter? Mist u bepaalde informatie? Hiernaast kunt u uw opmerkingen kwijt.

      We kunnen niet persoonlijk antwoorden, maar nemen alle suggesties mee in ons volgende jaarverslag.

      Velden die gemarkeerd zijn met een * zijn verplichte velden.

      Over de Rijksuniversiteit Groningen

      De Rijksuniversiteit Groningen is een mondiaal georiënteerde research universiteit, geworteld in Groningen, City of Talent. Bevindt zich op invloedrijke ranglijsten in de top 100. Is geliefd bij studenten (27.300) en medewerkers (5250 fte) uit binnen- en buitenland. Zij worden uitgedaagd het beste uit zichzelf te halen; talent krijgt de ruimte, kwaliteit staat centraal. De universiteit werkt actief samen met maatschappelijke partners en profileert zich op de thema’s Healthy Ageing, Energy en Sustainable Society.