Dierexperimenteel onderzoek:

Jaarverslag 2021

De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voeren dierproeven uit voor onderzoek en onderwijs, omdat sommige belangrijke en relevante vragen niet te beantwoorden zijn zonder proefdieren.

We zijn daar open over en laten op deze website graag zien hoe we dierstudies doen en welke afwegingen we daarbij maken. Hiermee dragen we bij aan een maatschappelijke discussie over dierproeven waarin iedereen een weloverwogen mening kan vormen.

Nederlandse Transparantieovereenkomst Dierproeven

Het belang van goede en transparante communicatie over proefdieronderzoek wordt steeds breder onderschreven. De Rijksuniversiteit Groningen is een van de vijftien organisaties in Nederland de die Nederlandse Transparantieovereenkomst Dierproeven hebben ondertekend. Het doel van de Transparantieovereenkomst is het creëren van een opener en transparanter klimaat rondom dierproeven. De groep ondertekenaars bestaat uit universiteiten, universitaire medische centra, wetenschappelijke instituten, bedrijven en verenigingen die allen betrokken zijn bij dierproeven.

De ondergetekenden zijn: Amsterdam UMC, Biomedical Primate Research Centre, Charles River Laboratories Den Bosch B.V., Envigo RMS B.V., Erasmus Universitair Medisch Centrum, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Leiden Universiteit, Nederlands Kanker Instituut, Radboudumc, Radboud Universiteit, Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Maastricht, Vereniging Sportvisserij Nederland, Vrije Universiteit Amsterdam, Wageningen University & Research.

Transparantie

Het is wettelijk bepaald dat Nederlandse onderzoeksinstellingen informatie verstrekken over de dierproeven die ze doen, maar deze informatie is niet altijd voor iedereen toegankelijk en te begrijpen. Ondertekenaars hopen met deze overeenkomst een positieve bijdrage te leveren aan openheid rondom dierproeven.

Toezeggingen

De ondertekenaars zijn betrokken bij het uitvoeren, ondersteunen of financieren van dierproeven ten behoeve van de gezondheid van mens en dier, kwaliteit van leven en natuur en milieu. Door zich aan deze overeenkomst te verbinden doen de organisaties de volgende vier toezeggingen:

  1. We zijn duidelijk over wanneer, hoe en waarom we dieren in onderzoek gebruiken.
  2. We streven naar betere communicatie over dierproeven in Nederland met het publiek en de media.
  3. We bieden proactief mogelijkheden aan het brede publiek om kennis te maken met dierproeven en de regelgeving die daarop van toepassing is.
  4. Jaarlijks rapporteren wij onze voortgang en delen we ervaringen met elkaar.

Deze overeenkomst is opgesteld door Nederlandse onderzoekers in samenwerking met de European Animal Research Association (EARA) en Stichting Informatie Dierproeven (SID). De Nederlandse Transparantieovereenkomst Dierproeven is geïnspireerd op bestaande overeenkomsten die in België, Duitsland, Frankrijk, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk zijn opgesteld.

Dierproeven in getallen

Binnen de RUG worden dierproeven uitgevoerd ten behoeve van fundamenteel en translationeel onderzoek alsmede voor onderwijs. Een deel van die proeven vindt plaats in de faciliteit bij het UMCG (de CDP), daarnaast is er een faciliteit bij FSE (de FDD) en ook vinden er proeven plaats in het vrije veld. In 2021 zijn in totaal 16.473 dierexperimenten verricht, waarbij voornamelijk gebruik werd gemaakt van muizen, ratten en vogels. In 2020 waren in totaal 17.506 dierexperimenten gedaan. In 2021 is dus een afname van ongeveer 6% te zien. Vorig jaar was er een vergelijkbare afname (7%). De afname wordt gezien bij de meeste diersoorten met uitzondering van andere vogels en hamsters. De andere vogels waren vorig jaar juist sterk afgenomen, wat zeer waarschijnlijk verband houdt met beperkingen voor veldonderzoek t.g.v. de Corona-pandemie. Het aantal dierproeven fluctueert jaarlijks door beschikbare budgetten en onderzoekscapaciteit. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aantallen uitgevoerde dierproeven uitgesplitst per diersoort en geeft de mogelijkheid de getallen van de afgelopen 5 jaar te vergelijken.

Er zijn bij de RUG jaarlijks grote schommelingen in het aantal proeven met muizen, maar het aantal proeven met ratten daalt nog steeds. Dit is al sinds 2013 het geval. Dit jaar hebben we voor het derde jaar op rij de zebravissen apart weergegeven van de andere vissen. In 2021 was er grote afname in proeven met zebravissen, waarschijnlijk omdat er meer proeven gedaan zijn met vissenlarven, die geen proefdier zijn als ze voor dag 5 gebruikt worden. De aantallen andere vissen zijn weer toegenomen; door de jaren is er steeds een grote variatie in de aantallen andere vissen gebruikt in dierproeven, waarvoor bij de IvD geen reden bekend is. De aantallen ‘andere’ vogels gebruikt voor dierproeven fluctueren al jaren en waarschijnlijk blijft dit voorlopig zo.

Het lijkt of het aantal dierproeven nu weer iets verder gedaald is ten opzichte van 2019, maar of dit slechts de invloed is van de Corona-pandemie zullen we pas over twee jaar kunnen concluderen. Sinds in 2014 de herziene Wet op de Dierproeven is ingevoerd is het aantal dierproeven op de RUG met meer dan 20% gedaald. De aantallen nemen nu al een aantal jaren af en in de komende jaren zal duidelijk worden of deze lijn zich voort zal zetten. De ontwikkelingen van alternatieven voor dierproeven gaan ook door en hopelijk leidt dat de komende jaren ook tot meer afname van dierproeven.

Waarom dierproeven?

Gezond ouder worden (Healthy Ageing) en een duurzame samenleving (Sustainable Society) zijn kernthema’s in het beleid van het UMCG en de RUG. Veel onderzoeksprogramma’s richten zich dan ook op onderwerpen als gezonde veroudering, de ziekte van Alzheimer, diabetes en Parkinson, waarbij dierproeven soms noodzakelijk zijn. Maar ook om ecologische vraagstukken te ontrafelen, zoals het trekgedrag van vogels, zijn experimenten met dieren nodig.

Dierproeven aan de RUG / UMCG

De RUG en het UMCG streven naar (fundamenteel) onderzoek en onderwijs dat tot de wereldtop behoort. Het dierexperimenteel onderzoek dat daar voor nodig is, willen we zo goed mogelijk uitvoeren: dat betekent een optimale verzorging en borging van het welzijn van de proefdieren én het optimaal faciliteren van de proefdieronderzoekers.

Ons dierexperimenteel onderzoek vindt plaats in het UMCG (57%) en bij de Faculteit Science and Engineering van de RUG (FSE, 43%). Binnen deze organisaties is een aantal onderzoeksinstituten waar het dierexperimenteel onderzoek voornamelijk plaatsvindt.

▶ Behavioural and Cognitive Neurosciences (CBN/BCN-BRAIN)
Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek naar de werking van het (gezonde) brein, afwijkingen in het zenuwstelsel bij neurologische en geestelijke aandoeningen, en de mechanismen die ten grondslag liggen aan gedrag.

▶ Centre for Ecological and Evolutionary Studies (CEES)
Fundamenteel onderzoek naar onder andere diergedrag en ecofysiologie.

▶ Groningen Research Institute of Pharmacy (GRIP)
Fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek naar geneesmiddelen.

▶ Groningen University Institute for Drug Exploration (GUIDE)
Lead-ontwikkeling en het ontwikkeling van geneesmiddelen.

▶ Health Research and Epidemiology (SHARE)
Opheldering van factoren die ervoor zorgen dat mensen op een gezonde manier oud worden (healthy aging) aan de hand van fundamenteel en praktijkgericht onderzoek.

▶ European Research Insitute for the biology of ageing (ERIBA)
Fundamenteel onderzoek naar de factoren die veroudering veroorzaken.

▶ Biomaterials (W.J.Kolff Institute)
Toepassings- en praktijkgericht onderzoek naar biomaterialen en implantaten.

▶ Fundamental, Clinical and Translational Cancer Research (Cancer Research Center Groningen)
Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek naar oncologie en tumorontwikkeling.

De onderzoeksvoorbeelden in dit jaarverslag illustreren het onderzoek aan de RUG en het UMCG. Op de website van de RUG is een overzicht beschikbaar van de afdelingen die dierexperimenteel onderzoek uitvoeren.

De RUG en het UMCG zijn in dialoog met verschillende stakeholders op het gebied van dierproeven. Het doel hiervan is om zowel te zenden als te ontvangen. Zo wordt de dialoog gebruikt om de waarde van door de RUG en UMCG uitgevoerde dierproeven voor maatschappij en wetenschap goed uit te leggen. Anderzijds biedt het de mogelijkheid om signalen over dierproeven te ontvangen en binnen de organisatie een vervolg te geven.

Aan het woord: prof. dr. Bart van de Sluis

Genetisch onderzoek naar leververvetting en hart- en vaatziekten

‘In Nederland heeft meer dan vijftig procent van de bevolking overgewicht. Dat is een groot probleem, dit kan namelijk vetopstapeling in de lever veroorzaken en hierdoor de kans op hart- en vaatziekten, leverschade en leverkanker vergroten. De verhoogde kans op hart- en vaatziekten komt vooral door verhoging van verschillende soorten vetten in het bloed, zoals cholesterol en triglyceride. Ondanks het nationaal preventie-akkoord en alle voorlichtingen om overgewicht aan te pakken, zien we geen daling in het aantal mensen met overgewicht.

De kosten van hart- en vaatziekten zijn zeer hoog voor de maatschappij. Er zijn medicijnen zoals statines die helpen om cholesterol in het bloed te verlagen, maar een aantal mensen heeft last van bijwerkingen en statines blijken ook niet goed te werken in het verlagen van specifieke vetten, zoals triglyceriden. Andere goede medicijnen om cholesterol in het bloed te verlagen zijn helaas zeer duur. Daar komt bij dat je vroegtijdig moet starten met het reduceren van vetten in het bloed om de kans op hart- en vaatziekten op latere leeftijd te verlagen. Dit betekent dat je eigenlijk al op relatieve jonge leeftijd de vetten in je bloed regelmatig zou moeten laten controleren.

Vanwege het groot maatschappelijk en economisch probleem is onderzoek met proefdieren naar vethuishouding gerechtvaardigd. Muizen zijn erg geschikt om vethuishouding in detail te bestuderen. Veel processen en genetische componenten die betrokken zijn bij vethuishouding, zijn hetzelfde tussen mens en muis. Ook zijn muizen zeer geschikt om hun genetisch materiaal aanpassen om de vergelijkbaarheid met mensen te vergroten. Met genetische aanpassingen kan je bepaalde genetische eigenschappen inactiveren of juist actiever maken. Vervolgens kan je nagaan wat dat doet met de vethuishouding. Zo vergaar je kennis om nieuwe medicijnen te ontwikkelen.

Om een ziekteproces na te bootsen, is een genetische aanleg niet altijd voldoende. Daarom krijgen de muizen soms ook nog een dieet met veel vet en suikers. Je kan dit vergelijken met een dieet dat bestaat uit een hamburger, friet en frisdrank. Dat verdragen de dieren prima; net als mensen vinden ze het lekker. Ze ontwikkelen dan leververvetting en hart- en vaatziekte, maar dat zijn aandoeningen waar de dieren geen last van hebben. De last die ze tijdens een experiment ondervinden is matig, vergelijkbaar met de pijn of stress die je ervaart bij een vaccinatie of het afnemen van bloed.

Voor de genetische modificatie gebruiken we een relatief nieuwe techniek, genaamd CRISPR/Cas. Je kan deze techniek vergelijken met een schaartje waarmee je een stukje uit het DNA knipt om het vervolgens weer aan elkaar te laten plakken op de gewenste manier. Hierdoor kan je de genetische informatie heel specifiek aanpassen. We passen deze techniek toe in muizen-embryo’s die vervolgens geboren worden en de genetische verandering doorgeven aan hun nageslacht. Je krijgt dan een muizenstam met een specifieke, overerfbare genetische verandering. Maar dat betekent dus wel dat je die stam in stand moet blijven houden. Je moet blijven fokken met deze dieren, zelfs als het onderzoek even stop wordt gezet omdat je de data van vorige experimenten nog aan het analyseren bent.

Om dit probleem te voorkomen, werken we de laatste jaren steeds vaker met somatische genetische aanpassingen, een nog nieuwere methode. Dat werkt ook met CRISPR/Cas, maar deze techniek passen we toe bij volwassen dieren. De genetische verandering wordt dan niet doorgegeven aan het nageslacht. Het voordeel is dat je al binnen een half jaar ziet of de genetische verandering een effect heeft op het proces dat je bestudeert. Hierdoor kan je snel beslissen of je door wilt gaan met het bestuderen van deze specifieke genetische verandering in jouw onderzoek. Op onze afdeling passen we deze methode al bij bijna de helft van de onderzoeksprojecten toe. Omdat het snel en efficiënt is, maar ook omdat je er veel muizen mee kunt besparen. Het totaal aantal dieren dat je nodig hebt voor het onderzoek gaat omlaag, omdat je niet meer verschillende muizenlijnen in stand moet houden.

Minder dierproeven, iedereen juicht dat toe, ook elke onderzoeker. Vaak worden celkweken als alternatief genoemd, cellen die je laat groeien in een kweekvaatje in het laboratorium. Ook wij gebruiken dit alternatief voor dierproeven steeds vaker, maar zoals processen in de cellen in een kweekvaatje worden gereguleerd, zo gaat het niet altijd in een levend organisme. Cellen ontwikkelen zich in een levend wezen nu eenmaal anders dan in een kweekvaatje, onder andere omdat ze in contact staan met andere celtypen, organen en bloed met daarin voedingstoffen en hormonen. Daar komt bij dat onze vethuishouding ook gereguleerd wordt door het dag-nachtritme, dat heb je in een celkweek niet. Om onze kennis en het ontwikkelen van medicijnen en behandelingsmethodes te verbeteren hebben we helaas nog dierproeven nodig… dat is een realiteit die we onder ogen moeten zien.’

Wet- en regelgeving

Proefdieronderzoek is aan strikte wet- en regelgeving gebonden. Sinds 1977 is het welzijn van proefdieren in Nederland beschermd via de Wet op de dierproeven, de Wod. In aanvulling op deze wet is sinds 1985 ook het Dierproevenbesluit van kracht. Uitgangspunt van de wet is het ‘Nee, tenzij’-principe: dierproeven zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Wanneer een onderzoeker het onderzoek bijvoorbeeld ook met een computermodel of slachtmateriaal kan uitvoeren, is het verboden dieren voor het experiment te gebruiken. In 2014 is een herziene Wod in werking getreden.

Volgens de huidige Wod is een dierproef gedefinieerd als ‘elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als, dan wel het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap’. Proeven met dieren zonder inwendig skelet, zoals wormen, slakken en insecten, vallen niet onder dierproeven. De Wod is bedoeld om de proefdieren in Nederland te beschermen. Er staat bijvoorbeeld in dat alleen gekwalificeerde mensen proefdieren mogen gebruiken en dat alleen mogen doen binnen instellingen die daarvoor een vergunning hebben.

Codes of Practice

Onder de oude Wet op de Dierproeven werden voor het onderzoek met wilde dieren op het laboratorium en het onderzoek met wilde dieren in hun biotoop verschillende ‘dierproef-definities’ gehanteerd. Na invoering van de nieuwe Wod is dit onderscheid er niet meer en geldt voor al het dierexperimenteel onderzoek en dus ook voor dat met wilde dieren zowel binnen de instelling als in het biotoop dezelfde definitie. Al snel bleek dat onderzoek met wilde dieren in hun biotoop onderbelicht waren in de notitie ‘Wanneer is er sprake van een dierproef in de zin van de wet’ welke op 3 oktober 2016 is gepubliceerd op de website van de CCD. Daarop is een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers uit het werkveld wat in 2017, in samenwerking met de CCD en de NVWA, heeft geresulteerd in de publicatie van de handreiking ‘Dierproeven met wilde dieren in hun biotoop’.

Onderzoekers van de RUG zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van deze handreiking en de RUG gebruikt deze als leidraad bij aanvragen voor en uitvoering van onderzoek aan dieren in het vrije veld.

Van aanvraag tot uitvoer dierproef

CCD

Deze landelijke commissie beoordeelt de aanvraag definitief en verleent, of weigert, de projectvergunning voor het experiment. De CCD publiceert niet-technische samenvattingen van verleende vergunningen op haar website.
Daarnaast is een landelijk comité, het NCad opgericht. Het brengt verbeteringen tot stand gericht op het Vervangen, Verminderen en Verfijnen (3V’s) van dierproeven en de ethische toetsing daarvan in (toegepast) wetenschappelijk onderzoek en onderwijs om daarmee het proefdiergebruik te minimaliseren, zowel nationaal als internationaal.

DEC

De RUG heeft een onpartijdige dierexperimentencommissie die proefdiergebruik beoordeelt in opdracht van de CCD. Bij haar afweging gebruikt de DEC-RUG standpunten en richtlijnen die zijn opgesteld door de CCD. Daarbij hanteert de DEC-RUG ook de algemeen geldende standpunten uit de Code of Practice over diverse onderwerpen. In de DEC-RUG zitten deskundigen op het gebied van (bescherming van) proefdieren, dierproeven, alternatieven voor dierproeven en ethische toetsing.
De DEC toetst elk onderzoeksvoorstel aan de bestaande wet- en regelgeving. Ook weegt ze het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden.
De intrinsieke waarde van elk dier staat centraal bij de afweging of een dierproef ethisch acceptabel is of niet. Dat neemt niet weg dat ook andere overwegingen een rol spelen, zoals psychologische complexiteit van een dier (denk aan apen). Of de maatschappelijke status die aan een diersoort wordt toegekend, gebaseerd op factoren als sociale verbondenheid (hond en kat), historische waarde (landbouwhuisdieren) en maatschappelijke relatie (zeehond).
Voor proeven met apen zijn bij de RUG en het UMCG geen faciliteiten; over proeven met apen heeft de RUG een apart standpunt opgesteld.

IvD

Een belangrijke verandering in de herziene Wod is dat instellingen kennis over dierenwelzijn bundelen in een ‘Instantie voor Dierenwelzijn’. De IvD behandelt een onderzoeksproject, na goedkeuring door de DEC en CCD, op dierenwelzijnsaspecten en zorgt ervoor dat het project goed uitgevoerd kan worden. Verder adviseert zij de onderzoeker over toepassing van de 3V’s en houdt toezicht op de voorbereiding van het onderzoek en de vaardigheid en scholing van de uitvoerders.
In de IvD zit een aangewezen dierenarts, de locatiebeheerder van de dierfaciliteit, een wetenschapper en indien gewenst een externe deskundige, zoals bijvoorbeeld een stralingsdeskundige of een biologische veiligheidsfunctionaris.

In de Wet op de dierproeven staan in artikel 14C. de taken van een Instantie voor Dierenwelzijn beschreven in vijf punten (14c.1a tot en met 1e). Lid 1c van het wetsartikel meldt dat de IvD “zorgt voor de vaststelling en toetsing van bedrijfsinterne procedures inzake controle, rapportage en vervolg met betrekking tot het welzijn van de in de inrichting gehuisveste dieren”. Vrij vertaald geeft het artikel aan dat de IvD organiseert dat het welzijn van de proefdieren geborgd is en wordt vastgelegd.

De IvD’s van de RUG checken bij elk IvD-protocol of de dierstudie uitgevoerd zal worden met dieren die in het wild worden gevangen. Als dit zo is, controleert de IvD of de benodigde Flora- en Fauna ontheffing aanwezig is. Dit bedrijfsinterne proces zal onveranderd gehanteerd blijven worden.

IvD platform

De beide IvD’s van de RUG zijn aangesloten bij het landelijk IvD-Platform. Leden van de twee IvD’s zijn goed vertegenwoordigd binnen het IvD-Platform. Zij zijn actief als secretaris van het IvD-Platform en in verschillende werkgroepen: Werkgroepen Educatie & Training, Antibioticumbeleid en Fok Coördinatoren. Het IvD-Platform dat onderdeel is van DALAS, was zeer actief in 2021. Het IvD-Platform vertegenwoordigt nog steeds meer dan 90% van alle IvD’s in Nederland. Ondanks COVID- maatregelen is het IvD-Platform in staat geweest haar maandelijks regulier overleg voort te zetten om knelpunten te bespreken. Daarnaast heeft het IvD-Platform contacten weten te onderhouden met verschillende overheidsorganisaties zoals de CCD, de NCad, LNV en de NVWA. Het doel van het afgelopen jaar was om minimaal eenmaal per jaar met de verschillende overheidsorganisaties om de tafel te zitten om punten te bespreken die speelden op de werkvloer.

Naast gesprekspartner van de verschillende overheidsorganisaties, wil het IvD–Platform ook zorg dragen voor het delen van kennis met de IvD’s.

Binnen het IvD-Platform zijn 5 werkgroepen opgericht: Educatie & Training, Antibioticumbeleid, Experimental Design & Statistical Analysis en Fok-coördinatoren. Als laatste is dit jaar de werkgroep Intercollegiaal Auditeren aangesloten bij het IvD-Platform. Output van deze werkgroepen zal gedeeld worden richting de werkvloer via de IvD’s.

Dit jaar heeft het IvD-Platform in samenwerking met de NCad éénmalig het “Harry Blom beraad” georganiseerd. Doel van dit beraad is om dilemma’s in de huidige onderzoekspraktijk vanuit verschillende gezichtspunten te belichten. Het onderwerp was dit keer ‘Het microbioom heeft invloed op je proefdier en mogelijk ook op de uitkomsten van je dierproef. Wat weet je hier eigenlijk van?’. Hoe ga je daar goed mee om? Hierover gaven meerdere deskundigen, waaronder een Groningse onderzoeker, hun onderzoeksbevindingen en visie.

Een ander belangrijk onderwerp binnen de IvD’s zijn de Codes of Practice (CoP’s). Daarom heeft het IvD-Platform het initiatief genomen om samen met de NCad nieuwe CoP’s te ontwikkelen en oude CoP’s te actualiseren. Twee werkgroepen hiervoor zijn dit jaar gestart, de Werkgroep Vissen (afgerond medio 2021) en de werkgroep Pre- en Postoperatieve zorg (Good Surgical Practice, afronding voorjaar 2022). Vanuit IvD-Groningen nemen twee personen deel aan deze werkgroep om deze CoP voor Pre- en Postoperatieve zorg op te stellen.

Aan het woord: dr. Judith Paridaen

Onderzoekt genetische kenmerken die de keuzes van stamcellen bepalen

‘Stamcellen maken voortdurend keuzes. Stamcellen zijn ongedifferentieerde cellen, waaruit na deling verschillende gespecialiseerde celtypen ontstaan. De keuzes die stamcellen maken vóór en tijdens de celdeling zijn belangrijk voor het produceren van het benodigde aantal uitgerijpte dochtercellen, maar ook voor het zelfbehoud van stamcellen.

We werken veel met embryo’s van zebravissen in de eerste vijf dagen van hun bestaan. Het onderzoek is gericht op stamcellen in de hersens in een vroeg ontwikkelingsstadium. De embryo’s zijn larven van vissen die we genetisch gemodificeerd hebben door een bepaald gen aan het erfelijke materiaal toe te voegen. Bijvoorbeeld een gen dat ervoor zorgt dat de cel onder bepaald licht groen oplicht. Op die manier kunnen we de stamcellen tijdens de ontwikkeling van de embryo’s onder de microscoop zichtbaar maken. We kunnen dan snel zien in welke delen van de hersens de stamcellen precies zitten.

Ons onderzoek is fundamenteel van aard. We kijken naar het aanmaken van cellen; hoeveel ontstaan er, en waar, en wanneer? Omdat het fundamenteel onderzoek is, kun je een proefdier nemen dat iets minder dicht bij de mens staat. Toch verbaas ik me er vaak over hoe groot de biologische gelijkenis is tussen mens en zebravis. Er zijn, denk ik, meer overeenkomsten dan verschillen. Maar in het algemeen geldt dat als je een basale vraag stelt, je heel goed met basale organismen kunt werken. Daarom werken sommige laboratoria met bijvoorbeeld gisten of bacteriën.

Als stamcellen in het nieuws zijn, gaat ’t vaak over nieuwe ontwikkelingen in de geneeskunde, het vernieuwen of vervangen van defecte weefsels of organen. Of over potentiële therapieën voor ziekten als dementie, ook dat is een interessant gebied. Veel kennis komt voort uit de ontwikkelingsbiologie en op termijn zullen onze fundamentele studies zeker van nut zijn. Maar als onderzoeker blijf ik altijd voorzichtig. Hoe groot de kans is dat je werk naar een medische toepassing leidt, is heel moeilijk in te schatten.

We beginnen het onderzoek altijd met het maken van een nieuw gen dat we in eerste instantie testen in een celkweek. Dat is voldoende om te kijken of het werkt. Pas als dat het geval is, gaan we door met de genetische modificatie. Daarmee maken we de transgene vissen die later eitjes leggen voor de embryo’s die we onderzoeken.

Omdat het DNA in een cel grotendeels uit niet-actieve delen bestaat, is de kans groot dat het nieuwe trans-gen daarin terecht komt en geen schadelijke verstoring oplevert. Maar als dat wel het geval is, kunnen we dat goed zien als we de embryo’s onder de microscoop bekijken. Alleen als de eerste jonge visjes goed groeien en er normaal uitzien, gebruiken we ze om verder mee te fokken. Strenge selectie is voor ons het belangrijkste instrument om later ongerief voor de transgene proefdieren te voorkomen.’

Einde van de proef

Adoptie

Volgens de herziene Wet op de dierproeven geeft de IvD advies over adoptieregelingen, met inbegrip van advies betreffende passende socialisatie van de voor adoptie vrij te geven dieren. De vergunninghouder is van mening dat het niet in het belang van de proefdieren en particulieren is om de proefdieren te laten adopteren. Een uitzondering hierop zijn dieren die bij de RUG onder semi-natuurlijke omstandigheden gehouden worden o.a. vogels en vissen. Deze dieren kunnen door particulieren overgenomen worden. De vergunninghouder staat niet toe dat dergelijke dieren verhandeld worden. In 2021 werden 17 cavia’s en 1 maanvis geadopteerd, 7 kokmeeuwen werden vrijgelaten in de natuur.

Euthanasie

In de meeste gevallen is adoptie niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de hersenen en/of andere organen en lichaamsdelen nodig zijn voor verder onderzoek en analyse, en zullen dieren aan het einde van een dierproef gedood worden. Dit is een stap die geen van de dierverzorgers en onderzoekers graag uitvoert.
De euthanasieprocedure die voornamelijk gebruikt wordt is zo ontwikkeld dat de dieren er zo min mogelijk van merken. De dieren komen in een bak met een mengsel van zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2), waarbij het CO2-gehalte langzaam oploopt. Hierdoor raken de dieren eerst buiten bewustzijn, waarna ze langzaam inslapen. Soms is het, in het kader van de proef, wenselijk om te kiezen voor een andere euthanasieprocedure. Ook in dat geval zal er altijd op worden toegezien dat de gekozen methode zo weinig mogelijk ongerief veroorzaakt voor het dier.
In enkele gevallen krijgen dieren tijdens een experiment complicaties waardoor de dieren meer dan verwacht (dreigen te) lijden. In zulke gevallen passen onderzoekers het zogenaamde ‘humaan eindpunt’ toe. Ze halen het dier uit het experiment op het moment dat het lijden onacceptabel dreigt te worden. Het dier wordt vervolgens geëuthanaseerd om ernstig leed te voorkomen.

Dierproeven doelen

Veruit de meeste dierproeven hebben onderzoekers uitgevoerd om een wetenschappelijke vraag te beantwoorden. De figuur hieronder geeft aan waarover deze vragen gingen. Naast het beantwoorden van wetenschappelijke vragen, zijn ook dierproeven gedaan voor onderwijs en training, bijvoorbeeld om studenten en biotechnici op te leiden.

Ongerief

Proefdieren ervaren altijd een bepaalde mate van ongerief. De Nederlandse regelgeving deelt ongerief met ingang van de herziene Wod in vier categorieën in. Ongerief hoeft niet per se pijn te zijn: ook stress en angst vallen hieronder. Hieronder is weergegeven welke mate van ongerief de dierproeven in 2021 met zich meebrachten.

%

Terminale dierproeven

%

Licht ongerief

%

Matig ongerief

%

Ernstig ongerief

%

Ernstig overstijgend ongerief

Fokefficiëntie

De RUG en het UMCG fokken zelf dieren, vooral (transgene) muizen en ratten. Niet alle gefokte dieren komen in een experiment terecht. Deze dieren noemen we ‘surplusdieren’ of ‘fokoverschot’.

Een fokoverschot is helaas onvermijdelijk. Dieren in een proef moeten vaak zoveel mogelijk identiek zijn om betrouwbare onderzoeksresultaten te krijgen. Ze moeten bijvoorbeeld even oud en van hetzelfde geslacht zijn of onder identieke omstandigheden zijn geboren. Ook bezitten niet alle dieren de gewenste genetische eigenschappen. Zo zijn voor een experiment met 60 identieke transgene muizen al snel 170 dieren gefokt: lees meer hierover op de website van de Stichting Informatie Dierproeven. Verder is een aanzienlijk deel van de fok nodig voor het in stand houden van unieke of waardevolle foklijnen.

Terugdringen van het aantal dieren dat wel gefokt is maar niet in een experiment is gebruikt, heeft voor de RUG en voor de landelijke overheid, een hoge prioriteit. Er is in 2021, net als in 2020, ongeveer een vijfde van de gefokte dieren geleverd voor experimenten. Bij niet-transgene lijnen is dit percentage hoger, omdat daar alle nakomelingen ook bruikbaar kunnen zijn voor het experiment. Bij transgene lijnen heeft een deel van de nakomelingen een genotype dat niet bruikbaar is in experimenten. Het totale aantal gefokte dieren (muizen en ratten) is in 2021 wel ongeveer 8000 dieren lager dan in 2020 en het absolute aantal gefokte dieren dat is afgevoerd zonder in een experiment gebruikt te zijn, is ongeveer 4000 dieren lager dan in 2020.

De RUG en het UMCG lopen voorop in het verhogen van de fokefficiëntie door een juiste communicatie tussen onderzoekers en dierverzorgers (vraag en aanbod) en het terugdringen van het fokoverschot door in te zetten op cryopreservatie van foklijnen die niet langer actief gebruikt worden.

Cryopreservatie

Cryopreservatie is een techniek waarbij eicellen of sperma van een foklijn die langere tijd niet nodig is, wordt ingevroren in plaats van de lijn levend in stand te houden. Als de foklijn weer nodig is, wordt een bevruchte eicel ingebracht bij een schijnzwanger vrouwtje. In de tussentijd zijn dus geen dieren nodig voor het behoud van de lijn.

Twee jaar geleden is de CDP begonnen met het aanbieden van het cryopreserveren van foklijnen die niet langer actief gebruikt worden voor dierproeven. In 2021 is van 31 lijnen sperma ingevroren. Dit zijn er meer 12 meer dan vorig jaar, omdat nu beter bekend is bij onderzoekers dat deze optie wordt aangeboden in Groningen. Zesenvijftig muizenlijnen zijn gestopt. Vijftien nieuwe lijnen zijn gestart in 2021. Deze aantallen liggen veel hoger dan vorig jaar omdat onderzoek weer volop mogelijk was en experimenten die werden uitgesteld in het eerste Covid-jaar zijn afgemaakt in 2021 en waardoor sommige lijnen niet langer nodig waren. Al met al is de IvD nog niet tevreden met deze cijfers en hopen wij het percentage ongebruikte dieren de komende jaren te verlagen.

Vervanging, Vermindering en Verfijning

Bij onderzoek en onderwijs met proefdieren aan de RUG en het UMCG staan de 3V’s centraal: vervanging en vermindering van proefdieren en verfijning van de dierproeven. Concreet betekent dit dat we zo min mogelijk proefdieren gebruiken en waar mogelijk proefdiervrij werken. Het ongerief voor de proefdieren beperken we zo veel als mogelijk. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) helpt de onderzoekers om dit in de praktijk te brengen.

Vervanging

Een onderzoeker mag een dierproef alleen uitvoeren als het niet anders kan. Waar mogelijk voeren we onderzoek en onderwijs uit met dierproefalternatieven zoals ongewervelden, cellen, weefsels, computersimulaties, videotraining of slachthuismateriaal.

Vermindering

Bij een dierexperiment zetten we in op het verminderen van het aantal benodigde dieren: een opzet met zo min mogelijk proefdieren, die nog wel betrouwbare resultaten oplevert. Bijvoorbeeld door te kiezen voor standaardstammen waardoor de onderzoeksresultaten beter vergelijkbaar zijn of door onderzoekers eerst een pilotonderzoek te laten uitvoeren.

Soms kunnen proefdieren na het oorspronkelijke experiment opnieuw worden gebruikt, voor een (vervolg)experiment of voor onderwijs. In 2021 ging 1% van de dieren een tweede maal een proef in.

Verfijning

De onderzoekers, dierverzorgers, biotechnici en proefdierdeskundigen zijn dagelijks met verfijning bezig. Optimale huisvesting en goede toepassing van experimentele technieken en anesthesie, beperken het ongerief voor de proefdieren. Sociale dieren als ratten zijn bijvoorbeeld gehuisvest in groepen, waardoor ze minder stress ervaren.

Door dierproeven te verfijnen neemt het welzijn van de dieren toe. Goed voor de dieren en voor de kwaliteit van het onderzoek.

Toepassing 3V’s in het onderwijs met proefdieren

Training

Bij de Centrale Dienst Proefdieren worden bij het gebruik van proefdieren in het onderwijs zoveel mogelijk de 3V’s toegepast. Wanneer onervaren personen voor het eerst voor een training komen wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van kunstmaterialen. Het leren hechten start met hechten op een zeemleren lap.

Wanneer iemand microchirurgische technieken wil leren, traint men eerst op een stukje latex handschoen onder de microscoop, vervolgens op kunstvaten en bij voldoende ontwikkeling van de oog-handcoördinatie, gaat men verder op de levende rat. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van kunstmaterialen, maar uiteindelijk zal de te leren techniek toch uitgevoerd moeten worden in een levend organisme, want een levend dier is een te complex geheel van factoren om deze na te bootsen met kunstmaterialen. Om het aantal gebruikte proefdieren te verminderen zijn er instructiefilms gemaakt van alle relevante biotechnische ingrepen die tijdens trainingen aan bod komen, zodat er geen dieren gebruikt hoeven te worden om een techniek voor te doen. Proefdieren die gebruikt worden in het kader van onderwijs krijgen bij invasieve operatieve ingrepen altijd pijnstilling en worden na afloop van de ingreep getermineerd onder narcose om onnodig ongerief te voorkomen. Door bij dierproeven betrokken personen goed op te leiden streeft de CDP ernaar om de kwaliteit van dierproeven en het welzijn van proefdieren te verbeteren.

Anatomiepracticum

In de bachelor fase van hun studie nemen alle biologie‐studenten deel aan een practicum anatomie en fysiologie waarbij een rat ontleed wordt. Tot 2015 werden ratten altijd kort voor aanvang van het practicum geëuthanaseerd en onbehandeld voor het practicum aangeboden, omdat dit het mooiste preparaat opleverde. In bevroren en vervolgens weer ontdooide preparaten bleken bepaalde essentiële structuren niet goed zichtbaar. Binnen de RUG zijn gedurende het jaar genoeg surplus dieren beschikbaar vanuit fok en (non‐invasieve) experimenten om te voorzien in de behoefte voor het practicum. Het is echter vanuit het oogpunt van welzijn onwenselijk om deze dieren voor langere tijd aan te houden tot de start van het practicum. Daarnaast betekent het lang aanhouden van dieren een belasting van de bedrijfsvoering. Om die reden werden tot 2015 de gebruikte ratten betrokken van een commercieel fokbedrijf. Ondanks dat de gebruikte dieren vrijwel uitsluitend surplusdieren waren uit de verschillende foklijnen bleef deze situatie sub‐optimaal, niet in de laatste plaats door de stress voor de dieren door bijvoorbeeld het transport.

In 2016 is om bovenstaande redenen begonnen met een zeer succesvolle pilot om ratten die gedurende het jaar overbleven uit de eigen fok en experimenten te balsemen. De gebalsemde ratten zijn zeer goed bruikbaar gebleken voor het practicum doordat alle belangrijke structuren goed behouden bleven in tegenstelling tot de ingevroren preparaten.

Voor het balsemen is gebruik gemaakt van de “Fix for Life” ‐ methode, ontwikkeld door het Leids Universitair Medisch Centrum. De methode maakt gebruik van een balsemingsvloeistof zonder, of met hele lage concentratie van giftige en irriterende stoffen die doorgaans nodig zijn (formaldehyde en fenol) voor weefselconservering. Hierdoor is deze methode uitermate geschikt voor onderwijsdoeleinden,voordeel hierbij is ook dat de balsemingsvloeistof aangenamer ruikt.

Het balsemen van de ratten is een win‐win oplossing gebleken. In de eerste plaats hoeven voortaan geen ratten meer aangeschaft en getransporteerd te worden en is er een nuttig doel gevonden voor de eigen surplusdieren. Tegelijkertijd zijn de preparaten uitermate geschikt voor het practicum en blijkt het gebruik ervan minder belastend voor de studenten.

Organisatie en faciliteiten

Om een optimale verzorging van de dieren te garanderen en effectief onderzoek te kunnen doen, zijn twee moderne proefdierfaciliteiten ingericht: de Centrale Dienst Proefdieren in het UMCG (CDP) en de Facultaire Dienst Dierverzorging in de Linnaeusborg (FDD).
Het proefdieronderzoek aan de RUG en het UMCG vindt plaats in de vrije natuur of in één van de laboratoria met speciale proefdierfaciliteiten. We besteden de grootst mogelijke zorg aan een optimale huisvesting van de proefdieren: dit is immers de ruimte waar de dieren vrijwel hun hele leven verblijven. Huisvesting is dan ook meer dan enkel voldoen aan de wettelijke vereisten. De CDP en de FDD zijn geheel vernieuwd in respectievelijk 2009 en 2011 en behoren tot de modernste van Europa. Temperatuur, licht en luchtvochtigheid in de verblijven zijn nauwkeurig te regelen.

Inspecties door NVWA

In 2021 is de NVWA éénmaal op bezoek geweest op de locatie CDP. De algemene indruk was ‘Voldoet’ De inspecteur lichtte dit als volgt toe: in principe goede infrastructuur met veel mogelijkheden en enkele uitbreidingen in vergevorderde fase van uitvoering.

Wat vindt u?

Met dit jaarverslag hebben we u laten zien hoe en waarom wij dierexperimenteel onderzoek uitvoeren. We willen graag weten wat u van deze website vindt. Wat is er goed, wat kan beter? Mist u bepaalde informatie? Hiernaast kunt u uw opmerkingen kwijt.

We kunnen niet persoonlijk antwoorden, maar nemen alle suggesties mee in ons volgende jaarverslag.

Contactformulier
Toestemming gebruik persoongegevens *

Over de Rijksuniversiteit Groningen

De Rijksuniversiteit Groningen is een mondiaal georiënteerde research universiteit, geworteld in Groningen, City of Talent. De Universiteit bevindt zich op invloedrijke ranglijsten in de top 100 en is geliefd bij studenten (30.000) en medewerkers (5250 fte) uit binnen- en buitenland. Zij worden uitgedaagd het beste uit zichzelf te halen; talent krijgt de ruimte, kwaliteit staat centraal. De universiteit werkt actief samen met maatschappelijke partners en profileert zich op de thema’s Healthy Ageing, Energy en Sustainable Society.