Dierexperimenteel onderzoek:

jaarverslag 2013

Sluiten

logo-summary-@2x

Dierexperimenteel onderzoek: jaarverslag 2013

Bij de RUG en het UMCG vindt dierexperimenteel onderzoek plaats. In 2013 zijn er 23.801 dierproeven verricht, waarvan 39% bij FWN, 61% bij het UMCG. Muizen werden hiervoor het meest gebruikt (11.894), gevolgd door ratten (5.264) en vogels anders dan kippen en kwartels (5.387).

De RUG en het UMCG streven naar (fundamenteel) onderzoek en onderwijs dat tot de wereldtop behoort. Gezond ouder worden (Healthy Ageing) en een duurzame samenleving (Sustainable Society) zijn kernthema’s in het beleid van de RUG en het UMCG: een gezonde samenleving met een bevolking die tot op hoge leeftijd actief participeert. Veel onderzoeksprogramma’s richten zich dan ook op onderwerpen als de ziekte van Alzheimer, diabetes en Parkinson. Voor dit onderzoek zijn dierproeven soms noodzakelijk. Maar ook om ecologische vraagstukken zoals het trekgedrag van vogels te ontrafelen, zijn dierexperimenten nodig.

De organisatie van de RUG en het UMCG is zo ingericht, dat het dierenwelzijn optimaal gewaarborgd is. De RUG heeft een onpartijdige dierexperimentencommissie die proefdier-gebruik beoordeelt voor de RUG én het UMCG (de DEC-RUG). Zij toetst onderzoeksaanvragen aan de bestaande wet- en regelgeving. Ook weegt ze het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden. Vervolgens ondersteunt de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) onderzoekers bij het zo goed mogelijk plannen en uitvoeren van het dierexperiment. De proefdier-deskundigen zien toe op het welzijn van de dieren, controleren of de medewerkers werken volgens de geldende wet- en regelgeving en geven onderwijs en trainingen.

Bij onderzoek en onderwijs met proefdieren aan de RUG en het UMCG staan de 3V’s centraal: vervanging en vermindering van proefdieren en verfijning van de dierproeven. Concreet betekent dit dat we zo min mogelijk proefdieren gebruiken en ervoor zorgen dat de proef-dieren die we wel gebruiken zo min mogelijk ongerief ervaren. De RUG en het UMCG zien het grote aantal surplusdieren als een probleem. We zetten daarom in op het cryopreserveren van foklijnen en gebruiken voor onderwijs en training waar mogelijk surplusdieren.

Download jaarverslag 2013Sluit de samenvatting

De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voeren dierproeven uit voor onderzoek en onderwijs, omdat sommige belangrijke en relevante vragen niet te beantwoorden zijn zonder proefdieren.

We zijn daar open over en laten op deze website graag zien hoe we dierstudies doen en welke afwegingen we daarbij maken. Hiermee dragen we bij aan een maatschappelijke discussie over dierproeven waarin iedereen een weloverwogen mening kan vormen.

Proefdieronderzoek: voor eeuwig?

‘For infinity’, voor oneindig. Dat is de slogan waarmee de RUG in 2014 haar vierhonderdjarig bestaan viert. De drang om de grenzen van het weten op te zoeken is oneindig. Maar zo stabiel als deze zoektocht naar kennis is, zo veranderlijk zijn de methoden, inzichten en ideeën om tot kennis te komen. Diermodellen vormen op dit moment de ‘gouden standaard’ in een deel van het onderzoek. Maar blijft dat zo, zijn dierproeven ook voor oneindig?

Dierproeven in getallen

In 2013 zijn er bij de RUG en het UMCG 23.801 dierproeven verricht, een daling van 6.731 proeven ten opzichte van 2012. Het aantal dierproeven fluctueert jaarlijks door beschikbare budgetten en onderzoekscapaciteit. Muizen, ratten en vogels werden het meest gebruikt. In deze cijfers is een dierproef het geheel van handelingen met één proefdier. Een dierproef komt pas in dit overzicht zodra de proef is afgerond.

Veeg hieronder zijwaarts om meer te zien
  • 11894
  • 5264
  • 42
  • 119
  • 49
  • 8
  • 00
  • 00
  • 00
  • 00
  • 3
  • 00
  • 84
  • 00
  • 5387
  • 00
  • 951
  • 00
Totaal:
  • 13211
  • 8475
  • 70
  • 204
  • 223
  • 7
  • 00
  • 00
  • 00
  • 16
  • 2
  • 00
  • 190
  • 00
  • 6401
  • 00
  • 1733
  • 00
Totaal:
  • 11345
  • 8636
  • 18
  • 250
  • 319
  • 32
  • 5
  • 00
  • 00
  • 20
  • 2
  • 2
  • 00
  • 68
  • 3613
  • 00
  • 301
  • 00
Totaal:
  • 12202
  • 8224
  • 165
  • 143
  • 104
  • 36
  • 00
  • 00
  • 00
  • 48
  • 3
  • 10
  • 142
  • 74
  • 7252
  • 00
  • 632
  • 00
Totaal:

Waarom dierproeven?

Gezond ouder worden (Healthy Ageing) en een duurzame samenleving (Sustainable Society) zijn kernthema’s in het beleid van het UMCG en de RUG. Veel onderzoeksprogramma’s richten zich dan ook op onderwerpen als gezonde veroudering, de ziekte van Alzheimer, diabetes en Parkinson, waarbij dierproeven soms noodzakelijk zijn. Maar ook om ecologische vraagstukken te ontrafelen, zoals het trekgedrag van vogels, zijn experimenten met dieren nodig.

De RUG en het UMCG streven naar (fundamenteel) onderzoek en onderwijs dat tot de wereldtop behoort. Het dierexperimenteel onderzoek dat daar voor nodig is, willen we zo goed mogelijk uitvoeren: dat betekent een optimale verzorging en borging van het welzijn van de proefdieren én het optimaal faciliteren van de proefdieronderzoekers.

Ons dierexperimenteel onderzoek vindt plaats in het UMCG (61%) en bij de Faculteit Wiskunde- en Natuurwetenschappen van de RUG (FWN, 39%). Binnen deze organisaties is een aantal onderzoeksinstituten waar het dierexperimenteel onderzoek voornamelijk plaatsvindt:

  • Behavioural and Cognitive Neurosciences (CBN/BCN-BRAIN)Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek naar de werking van het (gezonde) brein, afwijkingen in het zenuwstelsel bij neurologische en geestelijke aandoeningen, en de mechanismen die ten grondslag liggen aan gedrag.
  • Centre for Ecological and Evolutionary Studies (CEES) Fundamenteel onderzoek naar onder andere diergedrag en ecofysiologie.
  • Groningen Research Institute of Pharmacy (GRIP) Fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek naar geneesmiddelen.
  • Groningen University Institute for Drug Exploration (GUIDE) Lead-ontwikkeling en het ontwikkeling van geneesmiddelen.
  • Health Research and Epidemiology (SHARE) Opheldering van factoren die ervoor zorgen dat mensen op een gezonde manier oud worden (healthy aging) aan de hand van fundamenteel en praktijkgericht onderzoek.
  • European Research Insitute for the biology of ageing (ERIBA) Fundamenteel onderzoek naar de factoren die veroudering veroorzaken.
  • Biomaterials (W.J.Kolff Institute) Toepassings- en praktijkgericht onderzoek naar biomaterialen en implantaten.
  • Fundamental, Clinical and Translational Cancer Research (Cancer Research Center Groningen) Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek naar oncologie en tumorontwikkeling.

De onderzoeksvoorbeelden in dit jaarverslag illustreren het onderzoek aan de RUG en het UMCG. Op de website van de RUG is een overzicht beschikbaar van de afdelingen die dierexperimenteel onderzoek uitvoeren.

De RUG en het UMCG zijn in dialoog met de verschillende stakeholders op het gebied van dierproeven. Zo nemen de RUG en het UMCG deel aan de werkgroep Transparantie & Verantwoording met stichting Proefdiervrij, de WUR, UMC St Radboud, de UU en het UMCU om tot een gezamenlijke, transparante aanpak van de publieksjaarverslagen te komen. Maar ook zijn de proefdierdeskundigen en het hoofd van de CDP actief in gesprek met het ministerie van Economische Zaken, waaronder de portefeuille dierproeven valt, over de invoering van de nieuwe Wod.

    prof. dr. Paul Nieuwenhuis, emeritus hoogleraar histologie en microscopische anatomie

    Onderzocht de werking van het immuunsysteem

    ‘In de jaren zestig ben ik begonnen met immunologisch onderzoek. Een spannend vakgebied: de werking van ons immuunsysteem was in die tijd voor een groot deel onbegrepen. Dierstudies hebben een belangrijke rol gespeeld in de ontdekkingen die we deden. Ontdekkingen die onder meer transplantaties van organen mogelijk maakten.’

    ‘Na mijn studie geneeskunde ben ik in de jaren zestig bij de vakgroep histologie terechtgekomen om onderwijs te geven. Zo rolde ik in het immunologisch onderzoek dat daar gedaan werd. Spannend onderzoek, want in die tijd was er nog maar weinig bekend over de werking van het immuunsysteem en de rol daarvan bij transplantaties. Dierstudies waren essentieel voor het verwerven van de nodige kennis.

    Zo bleek in onderzoek naar het effect van totale subletale röntgenbestraling het vermogen van konijnen om antistoffen te vormen tijdelijk gestoord. Bij histologisch onderzoek bleken met name bepaalde cellen in lymfoïde organen als milt en lymfeklieren – later bekend geworden als B en T cellen – door de straling te worden geëlimineerd. Over de herkomst van deze cellen hadden we toen geen flauw idee.

    Ook andere kennis in de immunologie, die nu vanzelfsprekend is, heeft men veelal met behulp van dierstudies verkregen. Vaak simpelweg door organen te verwijderen. Zo bleek de functie van de thymus toen deze bij pasgeboren muizen werd verwijderd. Verwijdering van dit orgaan bij volwassen dieren had echter geen merkbaar effect. Wanneer thymusloze volwassen dieren subletaal bestraald werden bleek slechts een deel van de lymfocyten zich te herstellen. De zogeheten T–cellen ontbraken nu. Uit experimenten bij de kip bleek de Bursa van Fabricius de bron van niet-T cellen te zijn. Naar hun oorsprong werden dit B-cellen genoemd. Later bleek dat bij zoogdieren (muis, rat) deze cellen afkomstig zijn uit het beenmerg en bleven ze B-cellen heten.

    Bij histologie gebruikten we vooral konijnen, Hollanders. Een fokker uit Eelde leverde de dieren; zijn overschot raakte hij aan ons kwijt. Toen ik begin jaren zeventig in Schotland onderzoek deed, maakte ik kennis met rattenonderzoek. Ratten zijn mooie beesten; je krijgt er echt een band mee. De Albino Oxford-rat besloot ik als proefdier te introduceren in Groningen. Ik nam ze gewoon mee op de voorbank van de auto. Drie fokparen in een koekblik met een paar gaatjes erin. Dat zou nu natuurlijk ondenkbaar zijn.

    De faciliteiten waren in die tijd sober vergeleken met nu. Wel hadden we een eigen stal en stalbaas. Iedere zichzelf respecterende onderzoeksgroep had zo’n eigen stal en stalbaas. Kennis en faciliteiten waren versnipperd over de groepen. Langzamerhand centraliseerde de dierfaciliteiten in wat nu de CDP en FDD zijn. In het begin was er natuurlijk weerstand om afstand te doen van je eigen faciliteiten. Maar het is een goede ontwikkeling geweest. De mogelijkheden zijn er enorm door toegenomen en ook de procedures, zoals euthanasiering, zijn meer uniform geworden.

    De versnippering van de jaren zestig en zeventig betekende overigens niet dat de dieren slecht verzorgd werden. In tegendeel. Excessen zullen er altijd zijn, toen en nu, maar goed proefdieronderzoek vereist dieren die in topconditie zijn. Als je overdag een operatie had uitgevoerd en je twijfelde over de toestand van je dieren, dan ging je ’s avonds nog een keer kijken. Zeker bij immunologisch onderzoek is dat essentieel: je wilt niet dat dieren infecties krijgen, dat beïnvloedt je resultaten.

    De ontwikkeling van de immunologie zoals ik heb meegemaakt, heb ik ervaren als een spannend verhaal. Maar wel een verhaal dat nog niet af is. Het dierexperimenteel werk waaraan ik heb mogen bijdragen, heeft geleid tot waar we nu staan met bijvoorbeeld transplantaties. Zulke ingrepen zijn veel beter geworden. Maar er blijft een kans op afstoting en een patiënt moet z’n hele leven lang zware medicijnen slikken. En transplantaten gaan na een jaar of tien toch minder functioneren.

    Immunologische tolerantie is nog steeds een onopgehelderd probleem. Voor de overleving van onze soort hebben we geen dierproeven meer nodig, maar voor een geavanceerde maatschappij waar we antwoorden willen geven op zulke fundamentele vragen, blijven dierstudies nodig.

    ‘Astma en COPD zijn chronische longziekten. Dat wil zeggen dat patiënten de ziekte langdurig hebben of zelfs niet weer kwijtraken. Hun longweefsel is continu ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Bij COPD gaan ook longblaasjes verloren (longemfyseem). In Nederland zijn ongeveer een half miljoen mensen met astma; COPD behoort zelfs tot de ziekten met de hoogste sterfte.

    Probleem is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Veel patiënten krijgen bijvoorbeeld ontstekingsremmers, maar die werken onvoldoende. Als farmacoloog probeer ik samen met mijn onderzoeksteam te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.

    Bij deze longziekten speelt het immuunsysteem een essentiële rol. Reacties van het immuunsysteem zijn voor een deel nog onvoorspelbaar, daarom hebben we levende modellen nodig om de ziekten te begrijpen. Om fundamentele kennis op te doen en om experimentele behandelingen te testen. We gebruiken vooral cavia’s: het longsysteem van deze dieren is vergelijkbaar met dat van de mens. In de longen wekken we een allergische reactie op, waardoor de dieren astmatische klachten krijgen, die we vervolgens bestuderen.

    Fundamentele ziektekennis is uiteindelijk belangrijk voor de patiënt. Zo hebben we in dierlijk longweefsel de luchtwegen kunstmatig vernauwd. Het weefsel bleek als gevolg daarvan verdikking van de luchtwegen te ontwikkelen, net zoals we dat bij astma waarnemen. Tot nu toe dachten we dat zulke vernauwingen juist ontstaan door de ontsteking. Dat heeft implicaties voor de behandeling: misschien hebben patiënten wel meer baat bij luchtwegverwijders dan ontstekingsremmers.

    In een ander experiment zagen we dat in astmatisch longweefsel een bepaald enzym (arginase) veel meer aanwezig is dan in gezond weefsel. Dit enzym breekt een voorloper van stikstofmonoxide (NO) af, een stof die juist zorgt voor luchtwegverwijding. Onderzoekers binnen de vakgroep ontwikkelen nu remmers voor dit enzym, die wellicht als medicijn bruikbaar zijn.

    Een deel van de experimenten die we enkele jaren geleden nog in levende dieren deden, doen we nu met dunne plakjes longweefsel. Groot voordeel daarvan is dat deze longplakjes van een gezond dier komen. De gebruikte dieren ervaren daardoor het laagst mogelijke ongerief. Bovendien hebben we minder dieren nodig, omdat het materiaal efficiënter wordt gebruikt. De plakjes zijn nu nog slechts kort te bewaren. In de toekomst willen we ze daarom graag cryopreserveren. Het mooiste zou zijn om vervolgens het dierlijke materiaal te vervangen door humane longplakjes.’

    dr. Sietse de Boer, universitair hoofddocent gedragsfysiologie

    Bestudeert individuele verschillen in agressief gedrag

    ‘Agressie komt in het hele dierenrijk voor. Door het bestuderen van de gedrags- en neurofysiologie van agressie bij proefdieren leren we veel over dit gedrag bij de mens. Hoe kan het bijvoorbeeld dat bij autisme, Parkinson en die ziekte van Alzheimer normale agressie ontspoort in geweld, woede-uitbarstingen en antisociaal gedrag? Vooral de individuele verschillen daarin interesseren mij. Medicijnen die aangrijpen op hersenprocessen kunnen bij een agressieveling soms een volledig tegengestelde werking hebben als bij een niet-agressief dier.’

    ‘Agressie komt in het hele dierenrijk voor. Het is nuttig gedrag, bijvoorbeeld om je nakomelingen te beschermen, territorium te verdedigen of voedsel veilig stellen. De biologische basis van dit gedag gaat evolutionair dan ook ver terug en is bij mens en dier grotendeels vergelijkbaar. We leren met onze dierstudies daardoor veel over agressie bij de mens.

    Van nuttig gedrag, kan agressie namelijk ontsporen in geweld of antisociaal gedrag. Bij autisme en schizofrenie bijvoorbeeld. En ook bij ouderdomsziekten als Parkinson en de ziekte van Alzheimer hebben patiënten in een vroeg stadium last van woede-uitbarstingen en antisociaal gedrag. Vaak is dit de reden om de patiënt uit de thuisomgeving te halen. De hersengebieden die emotie en sociaal gedrag regelen, raken bij deze mensen kennelijk aangetast.

    We willen graag weten hoe agressie precies in de hersenen werkt, of er stoffen zijn die selectief agressie remmen en wat de variatie is tussen individuen. Vooral dat laatste is interessant en klinisch relevant. In ons onderzoek zien we namelijk dat persoonlijkheidseigenschappen grote invloed hebben op ondermeer stressgevoeligheid en de werking van medicijnen.

    Voor ons onderzoek gebruiken we geen standaard witte albino laboratorium ratten, maar bruine ratten zoals die ook in het wild rondlopen. De mate waarin onze ratten agressief gedrag vertonen meten we met de ‘indringersproef’: een mannelijke rat, de ‘kooi-eigenaar’, wordt in zijn eigen territorium geconfronteerd met een onbekende mannetjesrat, de indringer. Agressieve dieren slaan direct aan het vechten, terwijl de meer timide dieren de indringer gewoon toelaten. In een normale rattenpopulatie komen beide extremen van deze variatie in agressiviteit naast elkaar voor.

    Wanneer je medicijnen gaat testen, blijken zulke verschillen in gedrag grote consequenties te hebben. Agressieve ratten die bijvoorbeeld zogenaamde SSRI’s (Selectieve serotonine-heropnameremmer, zoals Prozac), toegediend krijgen, reageren daar prima op. Ze kalmeren. Wanneer ratten die nauwelijks of geen agressie vertonen deze medicijnen krijgen, gebeurt het omgekeerde: ze worden juist agressiever.

    Lange tijd is er nauwelijks aandacht geweest in de onderzoekswereld voor individuele variatie. Nog steeds stellen veel onderzoekers dat alle dieren in hun proef zoveel mogelijk identiek moeten zijn en beperken we het aantal dieren per experiment. Maar daarmee creëer je een experimentele situatie die weinig met de natuurlijke werkelijkheid te maken heeft; de vraag is vervolgens hoeveel algemene geldigheid de onderzoeksresultaten nog hebben voor de verschillende individuen in een natuurlijke populatie.

    De tegengestelde werking van SSRI’s bijvoorbeeld, kwam oorspronkelijk niet naar voren, omdat men het middel testte op ratten die nauwelijks variatie in agressiviteit vertoonden. De pro-agressieve werking kwam aan het licht toen het middel massaal werd voorgeschreven aan mensen die enorm verschillen in gedragskenmerken en persoonlijkheid.

    Ik verwacht dat de aandacht voor individuele verschillen in het dierexperimenteel onderzoek zal toenemen. Dat betekent tegelijkertijd dat voor sommige experimenten juist meer dieren nodig zijn om een goede afspiegeling van de populatie te verkrijgen. Maar ook dat de resultaten betrouwbaarder worden. Zeker in de gedragsfysiologie zal de nadruk liggen op verfijning van de experimentele procedures. De afgelopen jaren zijn daar al grote vorderingen in gemaakt. De zenders die we bij dieren inbrengen om bloeddruk, hartslag, temperatuur en dergelijke te meten zijn bijvoorbeeld veel kleiner geworden en lange tijd uitleesbaar zonder de dieren te storen. Ook proberen we onze overtollige ratten zo veel mogelijk nuttig in te zetten: ze lopen rond in het rattenverblijf in de Dierentuin Emmen en studenten levenswetenschappen werken bij anatomiepractica met onze gebruikte ratten.’

    ‘Astma en COPD zijn chronische longziekten. Dat wil zeggen dat patiënten de ziekte langdurig hebben of zelfs niet weer kwijtraken. Hun longweefsel is continu ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Bij COPD gaan ook longblaasjes verloren (longemfyseem). In Nederland zijn ongeveer een half miljoen mensen met astma; COPD behoort zelfs tot de ziekten met de hoogste sterfte.

    Probleem is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Veel patiënten krijgen bijvoorbeeld ontstekingsremmers, maar die werken onvoldoende. Als farmacoloog probeer ik samen met mijn onderzoeksteam te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.

    Bij deze longziekten speelt het immuunsysteem een essentiële rol. Reacties van het immuunsysteem zijn voor een deel nog onvoorspelbaar, daarom hebben we levende modellen nodig om de ziekten te begrijpen. Om fundamentele kennis op te doen en om experimentele behandelingen te testen. We gebruiken vooral cavia’s: het longsysteem van deze dieren is vergelijkbaar met dat van de mens. In de longen wekken we een allergische reactie op, waardoor de dieren astmatische klachten krijgen, die we vervolgens bestuderen.

    Fundamentele ziektekennis is uiteindelijk belangrijk voor de patiënt. Zo hebben we in dierlijk longweefsel de luchtwegen kunstmatig vernauwd. Het weefsel bleek als gevolg daarvan verdikking van de luchtwegen te ontwikkelen, net zoals we dat bij astma waarnemen. Tot nu toe dachten we dat zulke vernauwingen juist ontstaan door de ontsteking. Dat heeft implicaties voor de behandeling: misschien hebben patiënten wel meer baat bij luchtwegverwijders dan ontstekingsremmers.

    In een ander experiment zagen we dat in astmatisch longweefsel een bepaald enzym (arginase) veel meer aanwezig is dan in gezond weefsel. Dit enzym breekt een voorloper van stikstofmonoxide (NO) af, een stof die juist zorgt voor luchtwegverwijding. Onderzoekers binnen de vakgroep ontwikkelen nu remmers voor dit enzym, die wellicht als medicijn bruikbaar zijn.

    Een deel van de experimenten die we enkele jaren geleden nog in levende dieren deden, doen we nu met dunne plakjes longweefsel. Groot voordeel daarvan is dat deze longplakjes van een gezond dier komen. De gebruikte dieren ervaren daardoor het laagst mogelijke ongerief. Bovendien hebben we minder dieren nodig, omdat het materiaal efficiënter wordt gebruikt. De plakjes zijn nu nog slechts kort te bewaren. In de toekomst willen we ze daarom graag cryopreserveren. Het mooiste zou zijn om vervolgens het dierlijke materiaal te vervangen door humane longplakjes.’

    prof. dr. ir. Christiaan Both, hoogleraar ecologie

    Volgt het trekgedrag van de bonte vliegenvanger

    ‘De bonte vliegenvanger is een langeafstandstrekvogel die elk jaar uit Afrika komt vliegen om hier te broeden. Ze komen voor de rupsen die hier uitbundig voorkomen in het voorjaar. Klimaatverandering zorgt er echter voor dat de rupsenpiek veel vroeger in de lente is. Hoe reageren de vogels daarop? Vertrekken ze eerder uit hun overwinteringsoord of zoeken ze een nieuwe broedplek? Door de vogels te volgen probeer ik deze vraag te beantwoorden. We zien zo de gevolgen van klimaatverandering, maar ook hoe we onze natuur het beste kunnen beheren.’

    ‘Bonte vliegenvangers (Ficedula hypoleuca) zijn echte trekvogels: elk jaar komen ze uit Afrika vliegen om hier in Nederland te broeden. In drie weken tijd vliegen ze meer dan vierduizend kilometer. Een enorme prestatie voor een vogeltje van net twaalf gram. Ze komen voor de rupsen die hier volop op de nog jonge eikenbladeren rondkruipen. Maar door klimaatverandering staan de bomen eerder in blad en is ook de rupsenpiek weken eerder.

    Met mijn onderzoeksteam kijk ik of trekvogels zoals de Bonte Vliegenvanger zich aanpassen aan deze veranderingen en hoe ze dat dan doen. Vertrekken ze eerder uit hun overwinteringsoord of zoeken ze een nieuwe broedplek? En vindt aanpassing plaats door flexibiliteit in gedrag of door evolutionaire verandering?

    In vergelijking met dertig jaar geleden komen ze ongeveer tien dagen eerder aan, wat waarschijnlijk komt door evolutie, maar dit is onvoldoende omdat de rupsen zelfs drie weken naar voren zijn geschoven. Deze antwoorden geven ons inzicht in de gevolgen van klimaatverandering maar maken ook effectief natuurbeheer mogelijk. Als de rupsen bijvoorbeeld veel eerder zijn dan de vogels, kunnen rupsenplagen ontstaan.

    We vangen vogels om ze te voorzien van dataloggers: kleine chipjes van slechts een halve gram. Met deze apparaatjes achterhalen we waar de vogel is geweest. De chip registreert daglengte, en daarmee weten we waar de vogel zich ongeveer bevindt. GPS loggers voor directe plaatsbepaling passen simpelweg nog niet in zo’n kleine datalogger; en veel grotere zenders kun je natuurlijk niet aan zo’n klein vogeltje hangen. Soms verzamelen we ook bloedmonsters of staartveren. Hieruit kun je bijvoorbeeld de conditie van de vogel afleiden, maar ook DNA- of hormoononderzoek doen.

    Ik ben er van overtuigd dat voor het bestuderen van diergedrag het nodig blijft om dieren in hun natuurlijke omgeving te volgen. Het ecosysteem zit zo complex in elkaar, dat veel niet te modelleren is. De methoden om vogels gedurende de trek te volgen worden wel steeds geavanceerder, waardoor we met veel kleinere chips veel meer data binnenkrijgen.

    Dat we met een zendertje van een halve gram al zoveel data verzamelen, had ik vijf jaar geleden nog niet durven dromen. En die chips zullen alleen maar verbeteren: compacter en misschien straks ook op afstand uitleesbaar. Vogels terugvangen om de logger uit te lezen is dan verleden tijd. Ik verwacht dat deze ontwikkelingen heel snel gaan, we gaan steeds meer gegevens verzamelen met minder impact voor de dieren.’

    ‘Astma en COPD zijn chronische longziekten. Dat wil zeggen dat patiënten de ziekte langdurig hebben of zelfs niet weer kwijtraken. Hun longweefsel is continu ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Bij COPD gaan ook longblaasjes verloren (longemfyseem). In Nederland zijn ongeveer een half miljoen mensen met astma; COPD behoort zelfs tot de ziekten met de hoogste sterfte.

    Probleem is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Veel patiënten krijgen bijvoorbeeld ontstekingsremmers, maar die werken onvoldoende. Als farmacoloog probeer ik samen met mijn onderzoeksteam te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.

    Bij deze longziekten speelt het immuunsysteem een essentiële rol. Reacties van het immuunsysteem zijn voor een deel nog onvoorspelbaar, daarom hebben we levende modellen nodig om de ziekten te begrijpen. Om fundamentele kennis op te doen en om experimentele behandelingen te testen. We gebruiken vooral cavia’s: het longsysteem van deze dieren is vergelijkbaar met dat van de mens. In de longen wekken we een allergische reactie op, waardoor de dieren astmatische klachten krijgen, die we vervolgens bestuderen.

    Fundamentele ziektekennis is uiteindelijk belangrijk voor de patiënt. Zo hebben we in dierlijk longweefsel de luchtwegen kunstmatig vernauwd. Het weefsel bleek als gevolg daarvan verdikking van de luchtwegen te ontwikkelen, net zoals we dat bij astma waarnemen. Tot nu toe dachten we dat zulke vernauwingen juist ontstaan door de ontsteking. Dat heeft implicaties voor de behandeling: misschien hebben patiënten wel meer baat bij luchtwegverwijders dan ontstekingsremmers.

    In een ander experiment zagen we dat in astmatisch longweefsel een bepaald enzym (arginase) veel meer aanwezig is dan in gezond weefsel. Dit enzym breekt een voorloper van stikstofmonoxide (NO) af, een stof die juist zorgt voor luchtwegverwijding. Onderzoekers binnen de vakgroep ontwikkelen nu remmers voor dit enzym, die wellicht als medicijn bruikbaar zijn.

    Een deel van de experimenten die we enkele jaren geleden nog in levende dieren deden, doen we nu met dunne plakjes longweefsel. Groot voordeel daarvan is dat deze longplakjes van een gezond dier komen. De gebruikte dieren ervaren daardoor het laagst mogelijke ongerief. Bovendien hebben we minder dieren nodig, omdat het materiaal efficiënter wordt gebruikt. De plakjes zijn nu nog slechts kort te bewaren. In de toekomst willen we ze daarom graag cryopreserveren. Het mooiste zou zijn om vervolgens het dierlijke materiaal te vervangen door humane longplakjes.’

    dr. Reinoud Gosens, universitair docent farmacologie

    Doet onderzoek naar de longziekten astma en COPD

    ‘Enkele honderdduizenden Nederlanders hebben astma of COPD. Hun longweefsel is altijd ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Probleem bij de behandeling is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Als farmacoloog probeer ik te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.’

    ‘Astma en COPD zijn chronische longziekten. Dat wil zeggen dat patiënten de ziekte langdurig hebben of zelfs niet weer kwijtraken. Hun longweefsel is continu ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Bij COPD gaan ook longblaasjes verloren (longemfyseem). In Nederland zijn ongeveer een half miljoen mensen met astma; COPD behoort zelfs tot de ziekten met de hoogste sterfte.

    Probleem is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Veel patiënten krijgen bijvoorbeeld ontstekingsremmers, maar die werken onvoldoende. Als farmacoloog probeer ik samen met mijn onderzoeksteam te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.

    Bij deze longziekten speelt het immuunsysteem een essentiële rol. Reacties van het immuunsysteem zijn voor een deel nog onvoorspelbaar, daarom hebben we levende modellen nodig om de ziekten te begrijpen. Om fundamentele kennis op te doen en om experimentele behandelingen te testen. We gebruiken vooral cavia’s: het longsysteem van deze dieren is vergelijkbaar met dat van de mens. In de longen wekken we een allergische reactie op, waardoor de dieren astmatische klachten krijgen, die we vervolgens bestuderen.

    Fundamentele ziektekennis is uiteindelijk belangrijk voor de patiënt. Zo hebben we in dierlijk longweefsel de luchtwegen kunstmatig vernauwd. Het weefsel bleek als gevolg daarvan verdikking van de luchtwegen te ontwikkelen, net zoals we dat bij astma waarnemen. Tot nu toe dachten we dat zulke vernauwingen juist ontstaan door de ontsteking. Dat heeft implicaties voor de behandeling: misschien hebben patiënten wel meer baat bij luchtwegverwijders dan ontstekingsremmers.

    In een ander experiment zagen we dat in astmatisch longweefsel een bepaald enzym (arginase) veel meer aanwezig is dan in gezond weefsel. Dit enzym breekt een voorloper van stikstofmonoxide (NO) af, een stof die juist zorgt voor luchtwegverwijding. Onderzoekers binnen de vakgroep ontwikkelen nu remmers voor dit enzym, die wellicht als medicijn bruikbaar zijn.

    Een deel van de experimenten die we enkele jaren geleden nog in levende dieren deden, doen we nu met dunne plakjes longweefsel. Groot voordeel daarvan is dat deze longplakjes van een gezond dier komen. De gebruikte dieren ervaren daardoor het laagst mogelijke ongerief. Bovendien hebben we minder dieren nodig, omdat het materiaal efficiënter wordt gebruikt. De plakjes zijn nu nog slechts kort te bewaren. In de toekomst willen we ze daarom graag cryopreserveren. Het mooiste zou zijn om vervolgens het dierlijke materiaal te vervangen door humane longplakjes.’

    Verleden: Dierproeven in Groningen

    Al eeuwenlang voeren mensen proeven uit op dieren. Met de komst van Izaak van Deen naar Groningen in 1851, deed het dierexperimenteel onderzoek ook zijn intrede bij de RUG. Van Deen voerde allerlei proeven uit op kikkers. In 1853 krijgt Groningen zelfs een van de eerste fysiologische laboratoria in Nederland. In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw nam het aantal proefdieren snel toe, voor onderzoek en onderwijs. Faciliteiten en kennis waren nog versnipperd. ‘Iedere zichzelf respecterende groep had een eigen stal’, vertelt emeritus hoogleraar histologie Paul Nieuwenhuis. In de jaren die volgden, centraliseerden de proefdierfaciliteiten, werden strengere eisen aan dierstudies gesteld en kwamen steeds meer alternatieven voor dierproeven voor handen.

    Heden: Dierexperimenteel onderzoek

    Wetenschappers aan de RUG en het UMCG vergaren met dierstudies fundamentele kennis. Hoe verouderen de stamcellen in ons lichaam, vraagt celbioloog Gerald de Haan zich bijvoorbeeld af. Vragen die weloverwogen worden gekozen, vertelt neurobioloog Eddy van der Zee: ‘Bij ons fundamenteel onderzoek kiezen we voor experimenten die kunnen bijdragen aan biomedisch onderzoek naar bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer.’ Alle onderzoekers passen voortdurend de 3V’s toe. ‘Onderzoek dat we enkele jaren geleden nog in levende dieren deden, doen we nu met plakjes longweefsel,’ illustreert farmacoloog Reinoud Gosens. Technische ontwikkelingen helpen bij verfijning, legt trekvogelecoloog Christiaan Both uit: ‘De zendertjes waarmee we nu vogels volgen, wegen slechts een halve gram. Vijf jaar geleden was dat ondenkbaar’. Tegelijkertijd moet een studie wel voldoende dieren bevatten om goede conclusies te trekken, waarschuwt gedragsfysioloog Sietse de Boer: ‘Met een te kleine variatie in een experiment, komt de algemene geldigheid van de onderzoeksresultaten in gevaar.’

    Toekomst: Dierproeven voor eeuwig?

    ‘Ik hoop dat er een punt komt waarop we zoveel kennis hebben vergaard, van alle interacties en pathways, dat we modellen kunnen maken die proefdieronderzoek overbodig maken’, zegt proefdierdeskundige Catriene Thuring. Flip Klatter, hoofd van de CDP, ziet dit in de toekomst wel gebeuren: ‘De ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld in vitro onderzoek zijn in de afgelopen tien jaar zo snel gegaan. Op de lange termijn verwacht ik dat voor klinisch relevant onderzoek geen proefdieren meer nodig zijn.’ Tegelijkertijd zullen we voor sommige andere vragen altijd dieronderzoek blijven doen, verwacht hoofd van de FDD, Martijn Salomons: ‘Je kunt niet alles weten en in modellen stoppen. Om gedrag van dieren te begrijpen moet je ze observeren en volgen.’

      dr. Reinoud Gosens, universitair docent farmacologie

      Doet onderzoek naar de longziekten astma en COPD

      ‘Enkele honderdduizenden Nederlanders hebben astma of COPD. Hun longweefsel is altijd ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Probleem bij de behandeling is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Als farmacoloog probeer ik te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.’

      prof. dr. Eddy van der Zee, hoogleraar moleculaire neurobiologie

      Ontrafelt hoe leren en geheugen in de hersenen werkt

      ‘‘Ons brein heeft herinneringen opgeslagen in tienduizenden neuronale netwerkjes. Ik wil graag weten hoe die netwerkjes precies werken. Hoe kan een brein informatie opnemen? Wat gaat er verkeerd bij neurondegeneratieve ziekten zoals Parkinson en de ziekte van Alzheimer? En wat gebeurt er in de hersenen bij veroudering, depressie, agressie en ADHD? Pas als je goed begrijpt hoe ons brein werkt, kun je gericht therapieën ontwikkelen.’

      Aan de RUG doen onderzoekers zowel fundamenteel onderzoek als biomedisch onderzoek naar de hersenen: twee takken die elkaar ook nodig hebben. Als je namelijk niet weet hoe het brein werkt, weet je ook niet wat er mis gaat bij ziekten en weet je ook niet waarop je moet letten bij het ontwikkelen van therapieën.

      Om te leren hoe de hersenen werken, heb je een levend systeem nodig. Daarom gebruiken we proefdieren, en dan vooral ratten en muizen. Ratten omdat deze dieren zich, net als mensen, sociaal gedragen; muizen omdat er genetisch gemodificeerde lijnen beschikbaar zijn. In onderzoek moet je altijd keuzes maken: welke proef doe je wel en welke niet. Bij het fundamentele onderzoek kiezen we voor die experimenten waar we kans zien dat de resultaten kunnen bijdragen aan biomedisch onderzoek.

      Eén van onze onderzoekslijnen richt zich op leren, geheugen en timing. In ons lichaam zitten allemaal cellulaire en moleculaire klokken, ook in de hersenen. Bij de ziekte van Alzheimer gaat het tijdsbesef al in een vroeg stadium verloren. Patiënten gaan dingen op totaal verkeerde tijdstippen van de dag doen. Blijkbaar raakt hun kloksysteem aangetast, maar hoe dat werkt, weten we niet goed. Daarom onderzoeken we dat bij verouderende muizen.

      Soms zijn de resultaten ook onverwacht. Onderzoeker Kees Mulder zag dat dieren die gedurende hun leven regelmatig opdrachten kregen om voedsel te vinden in een drie-armig doolhof, op bejaarde leeftijd zelfs beter konden onthouden waar het voer zich bevond dan toen ze jong waren. Een grote verassing. Het brein is dus veranderd, waardoor ze iets dat ze eerst vergaten, nu opeens wel onthielden. We gaan nu uitzoeken waardoor dat komt. Oude dieren die in hun eerdere leven nooit deze opdrachten uitvoerden, waren overigens kansloos in deze test. Het aloude adagium ‘Rust roest’ lijkt dus van toepassing: blijf je brein vooral gebruiken.

      In de afgelopen decennia zijn de 3V’s echt ingebakken in ons onderzoek. Verdovingsprocedures zijn verregaand verfijnd en ook de stressoren die we bijvoorbeeld bij depressieonderzoek gebruiken zijn veel milder. Waar mogelijk zoeken we naar vervanging. Voor de basale neuronale mechanismen verwacht ik dat we in de toekomst ook een eind kunnen komen met ongewervelden of computersimulaties. Maar zulke modellen lopen vaak dood als je de vertaling wilt maken naar de mens met z’n vele tienduizenden neuronale netwerkjes. Wat betreft de simulatie van neurale netwerken is er, denk ik, veel te winnen in de samenwerking tussen de computerwetenschappen en neurobiologie, maar daar moet de maatschappij dan wel geld voor overhebben.’

      dr. Reinoud Gosens, universitair docent farmacologie

      Doet onderzoek naar de longziekten astma en COPD

      ‘Enkele honderdduizenden Nederlanders hebben astma of COPD. Hun longweefsel is altijd ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Probleem bij de behandeling is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Als farmacoloog probeer ik te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.’

      Proefdierdeskundige dr. Catriene Thuring en hoofden van de dierfaciliteiten Flip Klatter en dr. Martijn Salomons

      Faciliteren het dierexperimenteel onderzoek aan de RUG en het UMCG

      ‘Onze taak is om het dierexperimenteel onderzoek dat binnen de RUG en het UMCG plaatsvindt zo goed mogelijk te laten verlopen, ieder vanuit zijn of haar eigen functie’, vertelt hoofd van de CDP Flip Klatter. ‘In de dierfaciliteiten (CDP en FDD) is alle kennis en expertise op proefdiergebied aanwezig, zodat we onderzoekers optimaal kunnen faciliteren. De proefdierdeskundigen houden toezicht op het welzijn van de proefdieren en adviseren onderzoekers.’

      Klatter: ‘Dierstudies in het hier en nu goed laten verlopen is onze kerntaak, maar tegelijkertijd nemen we deel aan discussiegroepen over nieuwe wetgeving en zijn in gesprek met stakeholders als proefdiervrij. We willen voorop lopen als het gaat om dierenwelzijn en meedenken over toekomstig beleid, zoals we dat ook met de nieuwe Wod hebben gedaan.’

       ‘Op de korte termijn is deze nieuwe Wod een grote verandering’, vertelt proefdierdeskundige Catriene Thuring. ‘De ethische toets gaat extern plaatsvinden; de begeleiding bij de uitvoering van het project in de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) binnen de instelling zelf. Door de komst van de IvD krijg ik als proefdierdeskundige een andere plek in de organisatie, veel dichter op het onderzoek waardoor ik directer advies kan geven over bijvoorbeeld toepassing van de 3V’s.’ Martijn Salomons, hoofd van de FDD, zit zelf ook in de IvD: ‘Daardoor ben ik nauw betrokken bij het onderzoek. We hebben er expliciet voor gekozen om onderzoekers in de IvD te laten plaatsnemen, zodat niet alleen het dierenwelzijn is gewaarborgd, maar ook het wetenschappelijk niveau van de experimenten.’

      ‘Ik vind het belangrijk om open te zijn over ons werk en te laten zien wat we doen’, zegt Thuring. ‘Uiteindelijk maken we als maatschappij de keuze of we dierexperimenteel werk willen blijven doen of niet. Of we de vragen die we hiermee beantwoorden belangrijk genoeg vinden. Ik hoop van wel, omdat ik denk dat we ons als samenleving tekort doen als we dit type onderzoek niet meer zouden uitvoeren en stoppen met het vergaren van kennis.’

      ‘Neemt niet weg dat ik hoop dat we ooit geen proefdieronderzoek meer nodig hebben. Dat er een punt komt waarop we zoveel inzicht hebben in alle interacties en pathways, dat we met al die informatie topografische kaarten kunnen maken; allesomvattende modellen die proefdieronderzoek overbodig maken.’

      Voor medisch onderzoek is dat niet ondenkbaar, vermoedt Klatter: ‘De ontwikkelingen zijn in de afgelopen tien jaar zo snel gegaan op alle vlakken: chirurgische technieken, cryopreservatie, lab-on-a-chip, in vitro onderzoek. Met weefseltechnieken kweken onderzoekers inmiddels cellen uit bijvoorbeeld speekselklieren en slagaderen gewoon in een schaaltje. Technieken die een paar jaar geleden nog toekomstmuziek waren, zijn nu mogelijk. Ik denk dan ook dat voor klinisch relevant onderzoek op de lange termijn geen proefdieren meer nodig zijn.’

      Salomons sluit zich hierbij aan. Tegelijkertijd zal voor sommige andere vragen altijd dieronderzoek nodig blijven, denkt hij: ‘We zullen altijd blijven proberen om de wereld om ons heen beter te begrijpen. Je kunt niet alles weten, dus modellen zullen nooit de werkelijkheid kunnen vervangen. Om het gedrag van dieren te begrijpen bijvoorbeeld zul je ze moeten volgen en observeren. Er zitten nog gigantische hiaten in de kennis die we hebben. Of beter gezegd: we kennen de hiaten nog niet eens.’

      prof. dr. Gerald de Haan, hoogleraar moleculaire stamcelbiologie

      Onderzoekt de veroudering van bloedvormende stamcellen

      ‘Bloedvorming is een essentieel proces in ons lichaam: bloedvormende stamcellen in het beenmerg rijpen continu uit en vormen alle typen bloedcellen, van rode bloedlichaampjes tot cellen van het immuunsysteem. Bij leukemiepatiënten is deze productie volledig ontspoord, maar ook verouderende stamcellen functioneren minder goed. Hoe dit gebeurt, probeer ik te ontrafelen. Het mooiste zou zijn om stamcellen van de patiënt zelf buiten het lichaam op te kweken en daar allerlei soorten bloedcellen uit te produceren, zodat er geen donoren meer nodig zijn.’

      ‘De vorming van bloed is een belangrijk proces in ons lichaam. Bloedcellen gaan maar kort mee. In het beenmerg ontstaan daarom continu nieuwe bloedcellen: bloedvormende (hematopoiëtische) stamcellen rijpen uit en vormen alle typen bloedcellen, van rode bloedlichaampjes tot cellen van het immuunsysteem. Wanneer deze productie niet goed functioneert, word je ernstig ziek. Valt de productie stil dan ontstaat een bloedceltekort; ontspoort de bloedecelrijping volledig, ontstaat leukemie.

      Maar ook door gewone veroudering gaan bloedvormende stamcellen hun werk minder goed doen. Waarom dat zo is, weten we niet. In ons onderzoek proberen we de veroudering en het disfunctioneren van deze stamcellen te ontrafelen. Als we namelijk begrijpen hoe zo’n cel zich vernieuwt, biedt dat mogelijkheden voor nieuwe therapieën. Leukemie wordt nu vaak behandeld door stamcellen van een donor te transplanteren. Het mooiste zou zijn om stamcellen van de patiënt zelf buiten het lichaam op te kweken, zodat er geen donoren meer nodig zijn.

      Zover is het nog niet. Het is heel moeilijk om stamcellen buiten het lichaam actief te houden. Ze verliezen al snel activiteit of ze rijpen uit tot gespecialiseerde cellen. Voor dit onderzoek gebruiken we proefdieren. De ultieme functionele stamceltest is het terugbrengen van gekweekte stamcellen in een levend dier. Natuurlijk testen we eerst zoveel mogelijk in vitro. Pas als een experiment in vitro veelbelovend lijkt, maken we de stap naar dierexperimenten. Maar dat blijft wel een essentiële stap. Zeker niet alle stamcellen presteren in vivo net zo goed als in kweekschaaltjes.

      Vergelijk het met een groep mensen in trainingspak en sportschoenen: het lijken allemaal hardlopers, maar om te weten wie de echte marathonlopers zijn, moet je ze een stuk laten rennen. Zo is het met stamcellen ook. Of ze daadwerkelijk het potentieel hebben dat we verwachten, kunnen we alleen maar vaststellen door ze in proefdieren te brengen.

      We kijken ook specifiek naar de veroudering van stamcellen. Een ziekte als leukemie krijg je niet plotseling. In het ziekenhuis komen patiënten alleen met de laatste fase. Er is al heel lang iets aan de hand in het beenmerg, waar de patiënt niets van heeft gemerkt. We volgen daarom verouderende muizen. Een muis is bejaard op ongeveer tweejarige leeftijd: tijdrovend, moeilijk planbaar en kostbaar onderzoek.

      Om dit verouderingsonderzoek efficiënter uit te voeren, zijn het European Research Institute for the Biology of Ageing (ERIBA en het Nederlands Kanker Instituut, met subsidie van de NWO, in 2012 de Mouse Clinic for Cancer Ageing (MCCA) gestart. Deze faciliteit is een belangrijke stap in het verminderen van het aantal proefdieren. We leggen namelijk een centrale biobank aan waarin de MCCA zoveel mogelijk materiaal, bloed en weefsels, van bejaarde muizen invriest. Materiaal dat een onderzoeker niet nodig heeft tijdens het experiment , is daarmee niet verloren, maar kan door andere onderzoekers worden gebruikt.

      ‘Astma en COPD zijn chronische longziekten. Dat wil zeggen dat patiënten de ziekte langdurig hebben of zelfs niet weer kwijtraken. Hun longweefsel is continu ontstoken, waardoor ze het benauwd hebben, hoesten en kortademig zijn. Bij COPD gaan ook longblaasjes verloren (longemfyseem). In Nederland zijn ongeveer een half miljoen mensen met astma; COPD behoort zelfs tot de ziekten met de hoogste sterfte.

      Probleem is dat we niet goed weten hoe deze ziekten werken. De behandeling richt zich daardoor vooral op de symptomen in plaats van de oorzaak. Veel patiënten krijgen bijvoorbeeld ontstekingsremmers, maar die werken onvoldoende. Als farmacoloog probeer ik samen met mijn onderzoeksteam te begrijpen hoe deze longziekten ontstaan en op basis daarvan nieuwe medicijnen te bedenken.

      Bij deze longziekten speelt het immuunsysteem een essentiële rol. Reacties van het immuunsysteem zijn voor een deel nog onvoorspelbaar, daarom hebben we levende modellen nodig om de ziekten te begrijpen. Om fundamentele kennis op te doen en om experimentele behandelingen te testen. We gebruiken vooral cavia’s: het longsysteem van deze dieren is vergelijkbaar met dat van de mens. In de longen wekken we een allergische reactie op, waardoor de dieren astmatische klachten krijgen, die we vervolgens bestuderen.

      Fundamentele ziektekennis is uiteindelijk belangrijk voor de patiënt. Zo hebben we in dierlijk longweefsel de luchtwegen kunstmatig vernauwd. Het weefsel bleek als gevolg daarvan verdikking van de luchtwegen te ontwikkelen, net zoals we dat bij astma waarnemen. Tot nu toe dachten we dat zulke vernauwingen juist ontstaan door de ontsteking. Dat heeft implicaties voor de behandeling: misschien hebben patiënten wel meer baat bij luchtwegverwijders dan ontstekingsremmers.

      In een ander experiment zagen we dat in astmatisch longweefsel een bepaald enzym (arginase) veel meer aanwezig is dan in gezond weefsel. Dit enzym breekt een voorloper van stikstofmonoxide (NO) af, een stof die juist zorgt voor luchtwegverwijding. Onderzoekers binnen de vakgroep ontwikkelen nu remmers voor dit enzym, die wellicht als medicijn bruikbaar zijn.

      Een deel van de experimenten die we enkele jaren geleden nog in levende dieren deden, doen we nu met dunne plakjes longweefsel. Groot voordeel daarvan is dat deze longplakjes van een gezond dier komen. De gebruikte dieren ervaren daardoor het laagst mogelijke ongerief. Bovendien hebben we minder dieren nodig, omdat het materiaal efficiënter wordt gebruikt. De plakjes zijn nu nog slechts kort te bewaren. In de toekomst willen we ze daarom graag cryopreserveren. Het mooiste zou zijn om vervolgens het dierlijke materiaal te vervangen door humane longplakjes.’

      Wet- en regelgeving

      Proefdieronderzoek is aan strikte wet- en regelgeving gebonden. Sinds 1977 is het welzijn van proefdieren in Nederland beschermd via de Wet op de dierproeven, de Wod. In aanvulling op deze wet is sinds 1985 ook het Dierproevenbesluit van kracht. Uitgangspunt van de wet is het ‘Nee, tenzij’-principe: dierproeven zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Wanneer een onderzoeker het onderzoek bijvoorbeeld ook met een computermodel of slachtmateriaal kan uitvoeren, is het verboden dieren voor het experiment te gebruiken. In 2014 treedt een herziene Wod in werking.

      Een dierproef is het geheel aan handelingen met een specifiek doel aan een levend, gewerveld dier, waarbij het dier ongerief ondervindt of een risico op ongerief loopt. Proeven met dieren zonder inwendig skelet, zoals wormen, slakken en insecten, vallen niet onder dierproeven. De Wod is bedoeld om de proefdieren in Nederland te beschermen. Er staat bijvoorbeeld in dat alleen gekwalificeerde mensen proefdieren mogen gebruiken en dat alleen mogen doen binnen instellingen die daarvoor een vergunning hebben.

      Codes of Practice

      De wet- en regelgeving stelt kaders, maar geeft geen details. Daarom bestaat soms onduidelijkheid over de exacte interpretatie van de wetgeving. Over een aantal onderwerpen hebben experts daarom gedragscodes, Codes of Practice, opgesteld, namelijk: Dierproeven in kankeronderzoek (1999), Immuniseren van proefdieren (2000) en Welzijnsbewaking van proefdieren (2001). Iedereen die met proefdieren werkt, dient zich te houden aan de richtlijnen in deze codes.

      Daarnaast heeft de Dierexperimentencommissie (DEC) van de RUG ter (interne) standaardisatie drie aanvullende documenten met interne richtlijnen samengesteld. Hierin geeft ze haar standpunten over de ongeriefcodes, de diersoortkeuze en ethische afwegingen.

      Herziene Wod

      In 2014 wordt de Wod aangepast om aan de Europese richtlijn te voldoen. Een belangrijke verandering is dat instellingen kennis over dierenwelzijn bundelen in een ‘instantie voor dierenwelzijn’ (IvD). De IvD beoordeelt een onderzoeksproject, na goedkeuring door de DEC, op dierenwelzijnsaspecten. Verder adviseert zij de onderzoeker over dierenwelzijnskwesties en toepassing van de 3V’s. In de IvD zit een proefdierdeskundige, de locatiebeheerder van de dierfaciliteit, een wetenschapper en wanneer dat nodig is een externe deskundige, zoals een stralingsdeskundige of een biologische veiligheidsfunctionaris. Vooruitlopend op de wetgeving zijn in 2013 vergevorderde voorbereidingen getroffen voor het realiseren van een IvD voor zowel de CDP als de FDD.

      Ethische toets

      Het gebruik van proefdieren zorgt voor een ethisch dilemma: weegt het onderzoeks- of onderwijsbelang op tegen het ongerief dat de proefdieren ervaren? Een onpartijdige DEC toetst onderzoeksvoorstellen aan wet- en regelgeving en weegt het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden. Uitgangspunt is hierbij dat elk dier een intrinsieke waarde heeft. Bij haar oordeel houdt de DEC ook rekening met de psychologische complexiteit van proefdieren, de gevoelswaarde en de status die de maatschappij aan een diersoort toekent.

      De RUG heeft een onpartijdige dierexperimentencommissie die proefdiergebruik beoordeelt voor de RUG én het UMCG (de DEC-RUG). In de DEC-RUG zitten deskundigen op het gebied van (bescherming van) proefdieren, dierproeven, alternatieven voor dierproeven en ethische toetsing.

      De DEC toetst elk onderzoeksvoorstel aan de bestaande wet- en regelgeving. Ook weegt ze het belang van het dierexperiment af tegen het ongerief dat de proefdieren ondervinden. Daarnaast stelt de DEC eisen aan de voorbereiding van het onderzoek en aan de vaardigheid en scholing van de uitvoerders.

      De intrinsieke waarde van elk dier staat centraal bij de afweging of een dierproef ethisch acceptabel is of niet. Dat neemt niet weg dat ook andere overwegingen een rol spelen, zoals psychologische complexiteit van een dier (denk aan apen). Of de maatschappelijke status die aan een diersoort wordt toegekend, gebaseerd op factoren als sociale verbondenheid (hond en kat), historische waarde (landbouwhuisdieren) en maatschappelijke relatie (zeehond).

      Voor proeven met apen zijn bij de RUG en het UMCG geen faciliteiten; over proeven met apen heeft de RUG een apart standpunt opgesteld.

      Dierproeven doelen

      Veruit de meeste dierproeven hebben onderzoekers uitgevoerd om een wetenschappelijke vraag te beantwoorden. De figuur hiernaast geeft aan waarover deze vragen gingen. Naast het beantwoorden van wetenschappelijke vragen, zijn ook dierproeven gedaan voor onderwijs en training, bijvoorbeeld om studenten en biotechnici op te leiden.

      Ongerief

      Proefdieren ervaren altijd een bepaalde mate van ongerief. De Nederlandse regelgeving deelt ongerief in zes categorieën in. Ongerief hoeft niet per se pijn te zijn: ook stress en angst vallen hieronder. Hieronder is weergegeven welke mate van ongerief de dierproeven in 2013 met zich meebrachten. In 17% van de dierproeven werd het proefdier zonder voorafgaande handelingen geëuthanaseerd, deze dieren vallen in de laagste ongeriefklasse.

      48%

      Gering ongerief

      21%

      Gering tot matig ongerief

      24%

      Matig ongerief

      6%

      Matig tot ernstig ongerief

      1%

      Ernstig ongerief

      0%

      Zeer ernstig ongerief

      Fokefficiëntie

      De RUG en het UMCG fokken zelf dieren, vooral (transgene) muizen en ratten. Niet alle gefokte dieren komen in een experiment terecht: een groot deel wordt voortijdig gedood, bijvoorbeeld omdat ze niet de juiste eigenschappen hebben of alleen voor de fok nodig zijn. In 2013 werden 51.993 dieren gefokt waarvan 36.632, zo’n 70%, niet voor experimentele doeleinden is gebruikt. Deze dieren noemen we ‘surplusdieren’ of ‘fokoverschot’. Zowel landelijk als internationaal erkennen instellingen en overheden dat het grote aantal surplusdieren een probleem is. De RUG en het UMCG lopen voorop in het verhogen van de fokefficiëntie door een juiste communicatie tussen onderzoekers en dierverzorgers (vraag en aanbod) en het terugdringen van het fokoverschot door in te zetten op cryopreservatie.

      Een fokoverschot is helaas onvermijdelijk. Dieren in een proef moeten vaak zoveel mogelijk identiek zijn om betrouwbare onderzoeksresultaten te krijgen. Ze moeten bijvoorbeeld even oud en van hetzelfde geslacht zijn of onder identieke omstandigheden zijn geboren. Ook bezitten niet alle dieren de gewenste genetische eigenschappen. Zo zijn voor een experiment met 60 identieke transgene muizen al snel 170 dieren gefokt. Lees meer hierover op de website van de Stichting Informatie Dierproeven. Verder is een aanzienlijk deel van de fok nodig voor het in stand houden van unieke of waardevolle foklijnen.

      Maar grote aantallen dieren fokken zonder ze daadwerkelijk te gebruiken voor onderzoek of onderwijs is niet acceptabel. De doelstelling van de RUG en het UMCG is dan ook om de fokefficiëntie te verhogen. We bekijken het fokbestand steeds kritisch, trachten zo efficiënt mogelijk te fokken en gebruiken voor onderwijs waar mogelijk surplusdieren. Daarnaast zien we cryopreservatie als een belangrijke techniek om het fokoverschot te verminderen.

      Cryopreservatie

      Cryopreservatie is een techniek waarbij eicellen of sperma van een foklijn die langere tijd niet nodig is, wordt ingevroren in plaats van de lijn levend in stand te houden. Als de foklijn weer nodig is, wordt een bevruchte eicel ingebracht bij een schijnzwanger vrouwtje. In de tussentijd zijn dus geen dieren nodig voor het behoud van de lijn.

      Het invriezen is echter een ingewikkelde techniek. Lang niet alle ingevroren embryo’s worden bijvoorbeeld weer levensvatbaar. De RUG en het UMCG hebben in de afgelopen jaren enkele lijnen laten cryopreserveren bij externe bedrijven; in 2013 zijn voorbereidingen getroffen om dit in 2014 met meer lijnen te laten doen. Daarnaast proberen we de instrumenten en technieken in huis te halen om in de toekomst zelf foklijnen te cryopreserveren.

      Einde van de proef

      Bij het doen van proefdieronderzoek hoort ook het doden van dieren. Een stap die geen van de dierverzorgers en onderzoekers graag uitvoert.

      In enkele gevallen krijgen dieren complicaties waardoor de dieren meer dan verwacht (dreigen te) lijden. In zulke gevallen passen onderzoekers het zogenaamde ‘humaan eindpunt’ toe. Ze halen het dier uit het experiment op het moment dat het lijden onacceptabel dreigt te worden. Het dier wordt vervolgens geëuthanaseerd om ernstig leed te voorkomen.

      Onderzoekers passen het humaan eindpunt toe als het lijden van een proefdier niet langer acceptabel is. Het lijden weegt niet langer op tegen de verwachte voordelen die de dierproef zou gaan opleveren (kennis bijvoorbeeld). Het diet wordt uit studie genomen. In veel gevallen wordt het dier geëuthanaseerd.

      Vervanging, Vermindering en Verfijning

      Bij onderzoek en onderwijs met proefdieren aan de RUG en het UMCG staan de 3V’s centraal: vervanging en vermindering van proefdieren en verfijning van de dierproeven. Concreet betekent dit dat we zo min mogelijk proefdieren gebruiken en waar mogelijk proefdiervrij werken. Het ongerief voor de proefdieren beperken we zo veel als mogelijk. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) helpt de onderzoekers om dit in de praktijk te brengen.

      Vervanging

      Een onderzoeker mag een dierproef alleen uitvoeren als het niet anders kan. Waar mogelijk voeren we onderzoek en onderwijs uit met dierproefalternatieven zoals ongewervelden, cellen, weefsels, computersimulaties, videotraining of slachthuismateriaal.

      Vermindering

      Bij een dierexperiment zetten we in op het verminderen van het aantal benodigde dieren: een opzet met zo min mogelijk proefdieren, die nog wel betrouwbare resultaten oplevert. Bijvoorbeeld door te kiezen voor standaardstammen waardoor de onderzoeksresultaten beter vergelijkbaar zijn of door onderzoekers eerst een pilotonderzoek te laten uitvoeren. Soms kunnen proefdieren na het oorspronkelijke experiment opnieuw worden gebruikt, voor een (vervolg)experiment of voor onderwijs. In 2013 ging 3% van de dieren een tweede maal een proef in.

      Verfijning

      De onderzoekers, dierverzorgers, biotechnici en proefdierdeskundigen zijn dagelijks met verfijning bezig. Optimale huisvesting en goede toepassing van experimentele technieken en anesthesie, beperken het ongerief voor de proefdieren. Sociale dieren als ratten zijn bijvoorbeeld gehuisvest in groepen, waardoor ze minder stress ervaren. Door dierproeven te verfijnen neemt het welzijn van de dieren toe. Goed voor de dieren en voor de kwaliteit van het onderzoek.

      Organisatie en faciliteiten

      De organisatie van de RUG en het UMCG is zo ingericht, dat het dierenwelzijn optimaal gewaarborgd is. Voordat een onderzoeker daadwerkelijk een dierexperiment mag uitvoeren, moet het onderzoeksvoorstel zijn goed-gekeurd door een onpartijdige dierexperimentencommissie.

      De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) helpt de onderzoeker vervolgens bij het zo goed mogelijk voorbereiden van de dierstudies. Zij bespreken met elkaar dierenwelzijnskwesties en de toepassing van de 3V’s. Ook heeft de RUG twee gespecialiseerde dierenartsen (proefdierdeskundigen) in dienst. De proefdierdeskundigen houden toezicht op het welzijn van proefdieren en zijn lid van de IvD.

      Om een optimale verzorging van de dieren te garanderen en effectief onderzoek te kunnen doen, zijn twee moderne proefdierfaciliteiten ingericht: de Centrale Dienst Proefdieren in het UMCG (CDP) en de Facultaire Dienst Dierverzorging in de Linnaeusborg (FDD).

      Een instelling mag pas dierproeven uitvoeren wanneer het hiervoor een vergunning van de overheid heeft. Het College van Bestuur (CvB) van de RUG is de wettelijke vergunninghouder voor onderzoek en onderwijs met proefdieren aan de RUG én het UMCG. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert of de vergunninghouder de Wod naleeft.

      Dierexperimentencommissie (DEC)

      De RUG heeft een onpartijdige dierexperimentencommissie die proefdiergebruik beoordeelt voor de RUG én het UMCG (de DEC-RUG). In de DEC-RUG zitten deskundigen op het gebied van (bescherming van) proefdieren, dierproeven, alternatieven voor dierproeven en ethische toetsing. De DEC brengt jaarlijks verslag uit aan de vergunninghouder en aan de NVWA.
      De commissie is onpartijdig: de voorzitter en ten minste twee andere leden zijn niet in dienst zijn van de RUG. Daarnaast zijn ten minste vijf leden niet betrokken bij het verrichten van dierproeven en krijgt de DEC advies van de proefdierdeskundigen van de RUG.

      Instantie voor Dierenwelzijn (IvD)

      Kennis over dierenwelzijn is bij de proefdierfaciliteiten gebundeld in een IvD. De IvD helpt, na goedkeuring door de DEC, de onderzoeker bij het zo goed mogelijk voorbereiden van de dierstudie. Samen met de onderzoeker bespreken zij dierenwelzijnskwesties en de toepassing van de 3V’s. In de IvD zit een proefdierdeskundige, de locatiebeheerder van de dierfaciliteit, een wetenschapper en wanneer dat nodig is een externe deskundige, zoals een stralingsdeskundige of een microbioloog.

      Proefdierdeskundigen

      De proefdierdeskundigen zijn gespecialiseerd in het inschatten en beoordelen van het welzijn van proefdieren. Zij zien toe op het welzijn van de dieren. De proefdierdeskundigen adviseren onderzoekers over de opzet van hun proefdieronderzoek en over manieren om het ongerief voor de dieren te beperken.

      De proefdierdeskundigen overleggen veel met collega’s in binnen- en buitenland zodat zij goed kunnen beoordelen of ingediende onderzoeksvoorstellen goed uitvoerbaar zijn en of een ander instituut bij het introduceren van nieuwe onderzoekstechnieken kan helpen.

      De proefdierdeskundigen adviseren ook de DEC over manieren waarop het ongerief bij proefdieren verminderd kan worden, ze verzorgen onderwijs voor onderzoekers en dierverzorgers/biotechnici en werken mee aan de beleidsvorming over proefdiervoorzieningen. Tot slot registreren ze hoeveel dierproeven er worden uitgevoerd, het aantal proefdieren dat daarbij wordt ingezet, het ongerief dat zij ondervinden en het aantal dieren dat wordt gefokt. De proefdierdeskundigen rapporteren hun bevindingen jaarlijks aan de vergunninghouder en de NVWA.

      Huisvesting

      Het proefdieronderzoek aan de RUG en het UMCG vindt plaats in de vrije natuur of in één van de laboratoria met speciale proefdierfaciliteiten. We besteden de grootst mogelijke zorg aan een optimale huisvesting van de proefdieren: dit is immers de ruimte waar de dieren vrijwel hun hele leven verblijven. Huisvesting is dan ook meer dan enkel voldoen aan de wettelijke vereisten. De CDP en de FDD zijn geheel vernieuwd in respectievelijk 2009 en 2011 en behoren tot de modernste van Europa. Temperatuur, licht en luchtvochtigheid in de verblijven zijn nauwkeurig te regelen. Journalisten van de Universiteitskrant deden in 2013 verslag van hun bezoek aan de CDP.

      Stichting Proefdiervrij aan het woord

      ‘De RUG en Proefdiervrij werken al een aantal jaren samen om meer transparantie te bewerkstelligen over het proefdiergebruik van instellingen. Transparantie en verantwoording afleggen klinkt zo logisch, maar hoe doe je dat nu eigenlijk echt? Proefdiervrij ziet het jaarverslag van de RUG als een ingang tot voortdurende dialoog; een jaarverslag op de website biedt nieuwe kansen op een innovatief proefdierenbeleid.’

      Een digitaal jaarverslag: nieuwe kansen voor een beter proefdierenbeleid?

      De RUG en Proefdiervrij werken al een aantal jaren samen om meer transparantie te bewerkstelligen over het proefdiergebruik van instellingen. Transparantie is essentieel voor Proefdiervrij om met goede suggesties of verbeterpunten te kunnen komen. Voor universiteiten, die uiteindelijk leven van gemeenschapsgeld, is het bieden van transparantie de beste manier om verantwoording af te leggen aan de maatschappij. Het gebruik van proefdieren is immers een controversieel maatschappelijk thema.

      De RUG en Proefdiervrij hebben elkaar gevonden op deze twee thema’s: transparantie en verantwoording.

      Het opvallende is dat Proefdiervrij en de universiteiten met dezelfde vragen worstelen. Transparantie en verantwoording afleggen klinkt zo logisch, maar hoe doe je dat nu eigenlijk echt?

      Dan komen meteen allerlei vragen op: wie zijn je stakeholders, wat willen ze van je weten en hoe communiceer je dat en wat zijn de kanalen die je het beste kan gebruiken? Om deze vragen te bespreken heeft Proefdiervrij een discussiegroep opgezet. Hieraan nemen de universiteiten van Groningen, Nijmegen, Wageningen en Utrecht deel. Zij mogen terecht voorlopers in openheid over dierproeven in de academia worden genoemd!

      Een andere vraag waar wij ons het hoofd over breken is de vraag of een jaarverslag eigenlijk wel het aangewezen middel is om openheid te bieden. Ook Proefdiervrij maakt ieder jaar een jaarverslag. Maar wat ons betreft bieden de Social Media een veel directere manier om te communiceren over ons werk. Misschien zou je zelfs kunnen zeggen dat wij bijna dagelijks verantwoording afleggen door deze interactie met onze achterban!

      Ook in de eerder genoemde discussiegroep speelt de vraag wat je mag verwachten van een jaarverslag. Proefdiervrij ziet het jaarverslag van de RUG als een ingang tot voortdurende dialoog. Onze droom is een proefdiervrije wereld. Om die droom te kunnen realiseren zullen we het gesprek met elkaar moeten aangaan, elkaar moeten begrijpen (wat niet inhoudt dat we elkaars visie op proefdiergebruik over hoeven nemen!) en kansen moeten pakken om onderzoek anders, zònder proefdieren, op te zetten.

      Mijn visie is dat een jaarverslag op de website nieuwe  kansen biedt op een innovatief proefdierenbeleid. Digitale teksten zijn nu eenmaal per definitie dynamischer. Als we nu eens af konden spreken dat voor een aantal projecten vaker een update verschijnt? En dan denk ik zelf natuurlijk meteen aan de projecten die innovatief zijn in het vermijden van dierproeven. Een compacte kwartaalrapportage is evenmin ondenkbaar. Meer transparantie en actualiteit op de website zou zelfs een opstapje kunnen zijn naar een digitaal platform van onderzoekers en geïnteresseerden om gezamenlijk aan een proefdiervrije wereld te werken. Het is misschien een toekomstdroom, maar zonder dromen kan een mens niet leven. En ik zeker niet.

      Marja Zuidgeest,

      Directeur Proefdiervrij

      Wat vindt u?

      Met dit jaarverslag hebben we u laten zien hoe en waarom wij dierexperimenteel onderzoek uitvoeren. We willen graag weten wat u van deze website vindt. Wat is er goed, wat kan beter? Mist u bepaalde informatie? Hiernaast kunt u uw opmerkingen kwijt.

      We kunnen niet persoonlijk antwoorden, maar nemen alle suggesties mee in ons volgende jaarverslag.

      Velden die gemarkeerd zijn met een * zijn verplichte velden.

      Dierexperimenteel onderzoek: Jaarverslag 2013

      De Rijksuniversiteit Groningen is een mondiaal georiënteerde research universiteit, geworteld in Groningen, City of Talent. Bevindt zich op invloedrijke ranglijsten in de top 100. Is geliefd bij studenten (27.300) en medewerkers (5250 fte) uit binnen- en buitenland. Zij worden uitgedaagd het beste uit zichzelf te halen; talent krijgt de ruimte, kwaliteit staat centraal. De universiteit werkt actief samen met maatschappelijke partners en profileert zich op de thema’s Healthy Ageing, Energy en Sustainable Society.